Giechels

“Don’t want to meet your momma. Just want to make you come-ah.”

Tom is in zijn keuken aan het shaken als een polaroid picture op Hey Ya! van Outkast. Er hangt een overheersende lookgeur in de kamer, omdat die net iets te lang gestoofd heeft alvorens de rest van de spaghettisaus in de pot te doen. Gelukkig eten we allebei niets liever dan look. Ik leun lui tegen het aanrecht terwijl hij op de maat van de muziek met de houten lepel door de saus draait. “Het water kookt bijna”, zegt hij, zonder één seconde te stoppen met dansen. “Doe jij de pasta al open?”

Ik beantwoord zijn vraag door het pak spaghetti open te scheuren en afwachtend over de kookpot te gaan hangen. Tom scandeert nu “oh-oh!”’s door de ruimte, met zijn ogen gesloten, tot het nummer uitdooft. Ik sta met een grote glimlach naar hem te staren. Dit is exact wat ik zo leuk vind aan Tom. Zijn absolute lak aan schaamte. Ik krijg binnenpretjes als ik terugdenk aan alle keren dat ik al op deze manier naar hem keek. Alle keren dat hij een choreografie uitdokterde met onze winkelkar als er een goed nummer uit de boxen schalde in een supermarkt. Tom doet wat hij wil en trekt zich van niemand iets aan. En dat is zó aantrekkelijk.

“Luna? Luna.”

Zijn gezicht wordt plots weer scherp en ik zie hem vragend naar me kijken.

“Mm?”

“Het water.”

“Mm. Wat is er mee?”

“Het kookt.”

“O. Juist. Sorry. “ Verdwaasd laat ik de helft van ’t pak pasta in de pot verdwijnen terwijl ik vecht tegen kinderlijke giechels.

Ik ken deze giechels.

Ik haat deze giechels.

Het is nu drie weken geleden dat we hand in hand naar de pinguïns wandelden en kinderspaghetti’s aten in het restaurant van de zoo. Het moment dat-ie me, een paar uur later, uiteindelijk uit mijn kleren hielp en me op mijn bed gooide, was ik blij. Geil, ook, maar vooral blij. Ik had mijn favoriete sekssprinter terug. Alles voelde goed. Alles was ook goed. Ik zei ’t al eens, en ik zeg het graag nog een keer: Tom kent me. En ik ken Tom. Toen ik uiteindelijk in zijn armen lag na te duizelen van een paar orgasmes, raapte ik de moed samen om te vragen wat ze eigenlijk van de koptelefoon vond. Zijn cadeautje. Voor haar. Zij. Want haar naam kende ik nog altijd niet. “Wat zij er van vindt, dat weet ik niet”, zei hij, en hij draaide cirkeltjes rond mijn rechtertepel. “Maar ik vind ‘m werkelijk fantastisch.”

Ze kwam niet meer ter sprake. Toen niet, en alle keren daarna ook niet. Vandaag ook niet. Vandaag koken we samen pasta, en daarna kijken we samen naar De Slimste Mens. Tijdens de pauzes hitsen we elkaar zodanig op dat we de finale meestal laten voor wat ze is en naar de slaapkamer rennen om ons eigen spel te spelen. En ’t is altijd fantastisch. Zoals het gisteren ook was, en twee dagen daarvoor. Maar twee dagen geleden waren er nog geen giechels. Nu zijn er giechels.

Ik ken deze giechels.

Ik haat deze giechels.

Ik zie de lange, harde staafjes geleidelijk aan verslappen en uiteindelijk als een kaartspel in elkaar stuiken in ’t hete water. “De saus is wel goed zo, denk ik”, zegt Tom, en hij komt achter me staan en slaat zijn armen om me heen. “Nu is ’t alleen nog wachten op de pasta. 9 minuten. Ik vraag me af wat we tot dan moeten doen.” Hij duwt ’t haar uit mijn nek en zijn lippen op mijn huid doen al mijn fijne haartjes rechtop staan. “Ik vind dit wel een fijne manier om de tijd te doden”, zegt hij speels, en hij draait me om. “Zin om medeplichtig te zijn?” Hij wacht niet op mijn antwoord en trekt met zijn tanden zachtjes aan mijn onderlip. Ik leg mijn armen om zijn nek en trek hem dichter. Alles in mijn lijf verlangt naar Tom. Wanneer hij zijn duim op mijn kin plaatst, heb ik zin om net zoals de spaghettisliertjes te verslappen en mezelf volledig te verliezen in zijn aanrakingen. De opwinding giert door mijn aderen, maar ik weet dat het meer is dan dat. Ik weet dat ik niet gewoon zijn riem wil opentrekken en mezelf wil begraven in zijn kruis. Ik sta hier goed zo, dicht bij hem, met zijn mond op de mijne. Dit is goed zo. Wij zijn goed zo.

Ik teken cirkeltjes op zijn rug en probeer niet te denken aan de cirkeltjes draaiende vingers van Vincent op mijn handpalm. Een stille huivering gaat door me heen en ik duw de herinnering weg. Dit is Tom. Tom is anders. Tom is geen zak. Tom is Tom. Tom is van mij. Denk ik.

Hoop ik.

Ik duw zijn borst iets naar achter en laat ruimte tussen onze lippen komen. Ik haal diep adem en hoop dat de lucht die ik naar binnen zuig, sporen van bravoure bevat.

“Zie je haar nog?”

Tom geeft geen krimp en houdt zijn handen op mijn heupen.

“Nee.” Hij plant een kus op mijn mondhoek en trekt me weer iets dichter. “Echt niet, Loen. En”, vervolgt hij, alsof hij wist dat die vraag nog zou komen, “ik ben het ook niet meer van plan.”

Een gloed van warmte glijdt door me heen. Een gevaarlijk gevoel, weet ik. Meer dan giechels. Meer dan kriebels. Een pad dat ik al eens bewandelde, en een pad dat eindigde aan een plotse afgrond en met een onvermijdelijke val. En toch wrijf ik nu lachend door Toms stugge haar.

“Goed.”

Hij lacht sloom terug en begeleidt mijn hoofd naar zijn schouder. Oh, god. Ik ruik zijn aftershave en voel zijn sterke armen op mijn rug. Ik weet niet wat zeggen. Ik weet niet wat doen. Ik weet zelfs niet hoe ik optimaal kan genieten van zijn hartslag die ik door mijn wang voel bonzen. Ik blijf over zijn hoofd wrijven en hij plant nog een kusje in mijn hals. Tom is van mij. Dat moet haast wel.

“Ga mee”, floep ik er plots uit, onvoorzien, ongepland, een idee dat de tijd niet nam om zich iets beter te vormen in mijn hoofd, maar ’t liefst meteen een grootse entree maakte op mijn tong. “Deze zaterdag, bedoel ik.” Ik neem nog eens diep adem om en hoop dat ik niet als een compleet gek geworden wijf overkom dat gewoon een willekeurige reeks woorden op een rijtje zet en maar hoopt dat ze steek houden. “Ik ga met m’n vrienden cocktails drinken in een erg leuke cocktailbar. Hier, in Antwerpen. Ga mee. Wordt leuk.”

Tom draait bedenkelijk met zijn hoofd tot hij met zijn ogen landt in de mijne.

“Oké”, zegt hij, en zijn slome glimlach is er terug. “Klinkt inderdaad leuk.”

Ik denk terug aan de zin die hij daarnet nog aan ’t meebrullen was met Outkast. Tom doet me ’t echt wel uitschreeuwen van genot, meerdere keren, maar nu ik hier sta, nu ik hier de bevestiging van zijn aanwezigheid op de cocktailavond van m’n vrienden lees op zijn relaxte gezicht, besef ik dat ik eigenlijk, misschien, ooit, in een nabije of verre toekomst, zijn moeder wel eens zou willen ontmoeten. Of hem op zijn minst zou willen voorstellen aan de mijne. Ik schud verward met mijn hoofd wanneer ik besef dat ik zonet, binnen dezelfde seconde, zowel aan orgasmes als aan Toms moeder had gedacht.

“Wat is er, smoelentrekker?” Hij port met zijn vinger in mijn zij en ik lach.

“Stop, stop! Nee, niets, er is niets!” Hij legt zijn armen terug om mijn middel en ik kom zachtjes terug tot rust.

“Er is niets”, zeg ik nog eens, dit maar iets rustiger. “Alles is goed.”

Ik zie Toms pretoogjes en een vertrouwde, potentieel gevaarlijke, maar op dit moment vooral heerlijke steek gaat door mijn lijf. En ik lach.

Nee.

Ik giechel.