Plottwist

Een zachte kreun klinkt uit mijn mond wanneer hij ruw mijn haar naar achter trekt. Ik sluit mijn ogen en voel hoe de kracht van zijn hand pijnscheuten door mijn lijf stuurt – en hoe graag ik ’t heb. Hij verzwakt zijn greep en begraaft zijn gezicht in mijn borsten. Met zijn tong glijdt hij speels van de ene tepel naar de andere. “Niet stoppen”, hijg ik, terwijl ik mijn nagels in zijn rug zet. Met mijn hielen duw ik zijn lichaam dichter bij ’t mijne – zijn eikel raakt nu de binnenkant van mijn dij, een aanraking die mij onmiddellijk doet verlangen naar gestoot. “Oké. Stoppen”, zeg ik deze keer, en ik duw hem recht. Ik zet mezelf af met mijn handen zodat ik nu recht voor hem zit. Hij lacht. “Je ogen”, zegt hij, en hij brengt zijn hand naar mijn gezicht.

“Hm? Wat?”

Mijn stem klinkt schor en iets of wat geïrriteerd – ik wil niet praten. Ik wil seks.

“Je ogen”, herhaalt hij, zonder mijn gezicht los te laten. “’t Zijn je ogen die me altijd exact laten weten hoe geil je bent.” Zijn vingers verschuiven van mijn gezicht naar mijn hals, en na enkele zachte stapjes, waarbij hij amper mijn huid aanraakt, belandt hij opnieuw bij mijn borsten. Zonder één seconde zijn ogen van de mijne te lossen, knijpt hij mijn rechtertepel fijn. “Hoe geil ben ik nu dan”, vraag ik wazig, terwijl mijn rechterhand speelt met zijn penis. Hij lacht nog eens en duwt me dan opnieuw op mijn rug. “Het antwoord op die vraag vereist een gedetailleerde beschrijving die dan nog steeds de kracht van je ogen teniet zou doen”, zegt hij, en hij laat zacht maar kordaat een vinger bij me naar binnen glijden. “Woorden zouden ’t alleen maar onrecht aandoen”, besluit hij, terwijl zijn krullende beweging me zelf doet krullen van genot.

“Stop dan met woorden”, hijg ik, en ik omhels zijn onderrug opnieuw met mijn benen. “Meer daden.”

Hij trekt speels zijn wenkbrauwen op en grijpt dan met beide armen mijn bovenbenen vast. Net voor hij op me gaat liggen, besef ik wat ik echt wil. “Nee”, zeg ik, en ik duw hem opnieuw recht. “In de nek. Eerst mijn benen in je nek.” Ik zie de opwinding flikkeren in zijn ogen en in één behendige beweging leg ik mijn benen op zijn schouders.

“Nu.”

Mijn bed kraakt meteen na de eerste krachtige stoot. Ik slaak een luide zucht en sluit mijn ogen terwijl mijn rechterhand verdwaalt naar mijn borsten. Ik knijp erin bij elke nieuwe beweging. Volgens het ritme. Ons ritme. Na enkele seconden voel ik zijn warme hand op ’t mijne. “Harder”, eis ik, terwijl ik mijn eigen hand laat wegglijden. Ik knijp de lakens fijn en voel hoe intens hij mijn borsten masseert en steeds zo diep mogelijk in mij wegzinkt. “Jezus”, zegt hij, en hij gaat sneller. “Harder”, zeg ik opnieuw, en ik zet mijn nagels opnieuw in zijn vel. “Dieper. Sneller.” Ik adem zwaar. “Meer.”

Een geluid. Hij stopt abrupt en volgt mijn blik naar mijn nachtkastje. Mijn telefoon. Hij gaat. Uiteraard. Alleen slimme mensen zetten die op stil, anticiperend op seks. Als ik honderd euro kreeg voor elke keer dat dat rotding een moment verpest, dan woonde ik verdomme in Brasschaat, bedenk ik me plots. “Ga je opnemen?”, vraagt hij, niet goed wetend wat hij moet doen – verder spelen, of even pauzeren? Duizend vloekwoorden zwermen als hyperactieve bijen rond mijn hoofd. “Laat me even zien wie het is”, zeg ik, en ik ga voorzichtig recht zitten. Op het moment dat zijn rug gefrustreerd mijn lakens raakt, neem ik op.

“Hoi”, zeg ik, en ik probeer mijn ademhaling onder controle te krijgen.

“Schat! Hey.” Mijn maag draait zich om bij het horen van het liefkozende woord – zowel van verliefdheid, als van pure, irrationele angst. “Ik belde je maar even om te vragen hoe alles is gegaan vandaag. Heb je ‘t gehaald?”

“Ik weet het nog niet”, zeg ik waarheidsgetrouw – ik ging pas binnen een dikke week weten of ik als stagiaire zou worden aangenomen. “We zullen wel zien.”

“Nou, ik hoop alvast dat ’t allemaal goed uitdraait. Ik weet hoe graag je daar wil werken. Zeg, stoor ik? Je klinkt buiten adem. Heb ik je gebeld terwijl je aan het joggen was?”

“Eh, ja”, lieg ik, al is seks een zekere vorm van joggen – gewoon eerder horizontaal. “Inderdaad, ik was even de stress van deze morgen eruit gaan lopen. Maar ik was bijna klaar, dus je stoort niet.” Ook een leugen.

“Oh. Nou. In ieder geval, ik wou gewoon even een update. Ik zie je morgen wel. Bij jou, hé?”

“Mmm”, hum ik instemmend, me plots erg bewust van de veroordelende blik van de man in mijn bed. “Ik sms je nog wel. Tot morgen, Tom, eh, schat.”

Hij haakt in en ik leg mijn gsm opnieuw op de nachttafel. “Zo”, zegt Ben, steunend op één ellenboog. “Ik wist niet dat je een liefdesfaçade aan ’t ophouden was tijdens onze neuksessies.”

“Zegt dan de man die nu al een dikke drie maand zijn vriendin bedriegt”, repliceer ik, en ik draai mijn haar snel in een dot die ik slordig vastbind met het rekkertje dat ik standaard om mijn pols gebonden heb. “Dat is anders, en dat weet je”, antwoordt hij, terwijl hij me opnieuw dichter naar hem toe trekt. “Mijn vriendin zit al een halfjaar koala’s te observeren in fucking Australië. Ik ben er bijna honderd procent zeker van dat zij daar ook al wel ondersteboven is gedraaid door één of andere gebruinde, blonde lokale adonis met een lelijk accent.” Hij draait met zijn wijsvinger cirkeltjes op mijn bovenbeen. “Jij ligt met je benen in mijn nek terwijl je hem morgen ziet. Hoe verklaar je dat?”

Ik staar afwezig naar mijn deur en leg mezelf naast hem neer terwijl ik nadenk over wat hij zegt. Ik had een verklaring, een die ik in vier woorden al gezegd kon hebben, maar hij zou het niet begrijpen. Hij zou doorvragen, en ik had geen zin om alles uit te leggen. Hij zou geen genoegen nemen met: om mezelf te beschermen. En ik zou geen genoegen nemen met zijn protesteren.

“Wat maakt het uit?” Reageer ik, en ik duw mijn voeten tegen de zijne. “Ik oordeel niet over jou. Wat geeft jou dan het recht om te oordelen over mij?”

Hij haalt zijn schouders op. “Goed punt”, zegt hij uiteindelijk, en hij slaat zijn arm om me heen. “Wat dacht je ervan om opnieuw minder te praten, en meer te doen?”

Hij duwt enkele haren uit mijn nek en plant harde kussen in mijn hals. “Van zo’n voorstel denk ik alleen maar goede dingen”, antwoord ik, en ik wrijf met mijn hand door zijn haar. Hij vindt mijn mond en kust me zo krachtig dat ik ademen door mijn neus zelfs moeilijk wordt. “Terug in de nek?”, vraagt hij, waarna hij meteen opnieuw de vrijgelaten lucht tussen onze lippen compenseert.

“In de nek”, zeg ik, en ik rol me op mijn rug. Het ritmische gekraak van mijn bed verdringt de gedachte aan Tom, de gedachte aan wat ik deed, de gedachte aan Ben, hoe hard die ook schreeuwen om de nodige aandacht. Het zachte kreunen van Ben herinnert me echter opnieuw aan ons afgesproken motto van de avond.

Minder praten. Minder denken.

Meer doen.

Advertenties

Natte kerst

“Fuck.”

Ik wrijf vermoeid in mijn ogen en grijp naar mijn gsm. Eens ’t ding in mijn hand ligt te trillen, maakt het niet meer zo’n onmenselijk geluid als op mijn nachtkastje. Dat was als een drilboor die me uit een meer dan nodige slaap haalde. “Fuck”, mompel ik nogmaals, als ik kijk wie belt. Mijn moeder. Uiteraard. Kerstgedoe. En ik had beloofd om heel de dag te helpen met de voorbereidingen. Fuck, fuck, fuck.

Mijn ogen vallen opnieuw toe en ik laat mijn hoofd zachtjes landen op mijn warm kussen. Nee. Ik moet opstaan. Ik onderneem een poging om mijn oogleden weer open te krijgen, maar die gedragen zich als een garagedeur op elektriciteit tijdens een black-out. En gelijk hebben ze, op zich, want er zit op dit moment geen greintje energie meer in mijn lijf. Mijn maag protesteert wanneer ik me op mijn zij draai. Ik voel de fles wijn, die ik gisteren soldaat heb gemaakt, mee kapseizen bij elke beweging die ik maak. Geweldig idee ook, Luna, een goedkoop wijntje uit de nachtwinkel volledig voor jouw rekening nemen. Suf draai ik mijn hoofd naar de klok die naast de deur tegen de muur hangt. Half twaalf. Half twaalf, en ik ging om tien uur bij mijn moeder zijn.

Fuck.

Ik adem eens diep in en uit en licht mezelf dan uit bed. ’t Moet gezegd, muren zijn een fantastische uitvinding – een gigantische aaneenschakeling van looprekjes voor nog steeds ontnuchterende mensen. Voor ik het weet sta ik in mijn badkamer de gevolgen van een zware nacht te aanschouwen in de spiegel. Ik onderdruk een cynische giechel. Ik heb veel te veel momenten van reflectie – letterlijk en figuurlijk – voor een spiegel. Het geluid van de kraan doet me al verlangen naar de frisheid van ’t water. Ik maak een kommetje met mijn handen en doop mijn gezicht in de koude. Ik voel ik me op slag beter. Water. Nog zo’n fantastische uitvinding. Er zou meer erkenning moeten komen voor water. En voor muren.

Ik wandel terug naar mijn slaapkamer terwijl ik mijn gezicht afdroog met een handdoek. De kamer ruikt muffig en alcoholisch en ziet er echt als een mesthoop uit. Ik zet het raam open, voel de frisse wind door mijn geklitte haar en ga op de rand van mijn bed zitten. Ik zou moeten bellen. Als ik ’n beetje mijn best doe, geraak ik wel om één uur in mijn thuisstad. Ik slaak een zucht en kijk naar mijn verfrommelde lakens. Ik moet nog één ding doen alvorens ik onder de douche kan springen.

“Ben”, fluister ik. “Ben. Be-en.” Ik leg mijn arm om zijn slapende lijf heen en probeer hem om te rollen. De walm van tequila die vrijkomt wanneer zijn gezicht naar boven rolt maakt me zowaar nostalgisch naar… Een paar uur geleden. Zijn ogen blijven gesloten, maar er komt een protesterend, kermend geluidje uit zijn mond. “Ben, je moet gaan. ’t Is bijna middag en ik heb nog heel veel te doen.” Ben draait zich weg en grijpt mijn kussen nog wat steviger vast. Ik sla mijn ogen naar het plafond. “Ben, verdomme. Word wakker!” Niets. Geen reactie.

“Benedict. Komaan.”

Eindelijk beweging van onder de lakens. Traag maar zeker gaat hij rechtop zitten en wrijft hij als een schattig jongetje met de vuisten in zijn ogen. Na enkele seconden opent hij ze en nu kijkt hij naar de mijne. “Je weet dat ik niet wil dat je mijn volledige naam gebruikt, Nana”, zegt hij, en hij trekt zijn lippen scheef in een glimlach. Leuke glimlach. Sexy glimlach.

“En je weet dat ik niet reageer op Nana. Trouwens, ik vind Benedict wel iets hebben.”

Hij vindt nu de energie om luidop te lachen. “Je haat mijn naam. Je zegt gewoon dat je ‘m wel leuk vindt, omdat hij nu eenmaal ook bevat wat je ‘t leukst aan mij vindt.” Hij leunt voorover en trekt me dichter bij zich. “Of niet, soms?”, mompelt hij schor, terwijl hij mijn hand begeleidt naar de laatste lettergreep van zijn naam. “Hoezeer ik ook gesteld ben op je dick, Benedict, ik heb mijn moeder beloofd dat ik zou helpen vandaag. En alsof jij verder geen plannen meer hebt. ’t Is Kerstdag.”

“Het enige plan dat ik nog heb vandaag, is jou overtuigen om iets later naar je mammie te gaan.” Hij glijdt zijn handen onder mijn los slaapt-shirt en zijn warme aanraking geeft me meteen stijve tepels. Ik sluit mijn ogen en beslis dat ik nog vijf seconden mag genieten alvorens ik hem buitengooi. “Ik ben al bijna twee uur te laat”, zeg ik dan lachend, en ik duw hem weg. “Als je wil douchen, doe dan snel nu. Ik bel even naar huis. Maar daarna moet je echt weg. Sorry”, pruillip ik, en ik geef hem een kus. “Ik zie je vast volgend jaar wel.”

“Ha-ha”, lacht hij sarcastisch, “die mop wordt vast ook maar vijftien keer per seconde gemaakt.” Ik schud gniffelend mijn hoofd. Dat ik net om die reden de mop maakte, zou Ben nooit vatten. Dat maakt het zo gemakkelijk om niet voor hem te vallen. Hij loopt naar de badkamer terwijl ik mijn gsm zoek tussen de lakens. Ik zie dat mijn moeder nog twee keer heeft gebeld sinds de laatste keer dat ik keek. Ik neem mezelf voor een bos bloemen, of zo, op te pikken voor ik naar daar ga. Verder heb ik ook twee berichten. Een van Hanne, die vraagt wanneer ze me eindelijk nog eens kan zien, en een van Tom, die vraagt of onze lunchdate van vrijdag nog doorgaat. “Attent”, snuif ik binnensmonds, en ik wandel naar mijn raam.

Sinds die ene avond heb ik niemand van hen nog gezien. Niet Hanne. Niet Olivia. Niet Melanie. Niet Tom. ’t Was die laatste die vorige week vroeg of we eens konden praten. “Waarover?”, zei ik ijzig, toen hij ervoor belde. “Over het feit dat je achter mijn rug een van mijn beste vriendinnen neukte, terwijl je me had verteld dat alles met je ‘vlam’ voorbij was? Of heb je het liever over het feit dat je drie weken nodig had om te beseffen dat er iets te zeggen valt tussen ons?”

Hij zuchtte duidelijk aan de andere kant van de lijn. “Ik wist toch niet dat ze een vriendin van je was. Kom nu. Kunnen we afspreken?” Mijn hand klemde zich als een klauw om mijn gsm. “Moet je wel jammer gevonden hebben, dat ik ze kende, was vast geen deel van je plan”, siste ik, en ik slikte enkele scheldwoorden in. Ik wist dat Tom en ik moesten praten. Ik had zelf zoveel vragen. Ik zou ’t hem nooit zeggen, maar de voorbije drie weken waren een rommeltje geweest. Een anarchistische harmonie tussen alcohol, seks en verantwoordelijkheidsverzuim. Een zware adem ontsnapte uit mijn mond en ik probeerde te ontspannen. “Ik sms je wel waar en wanneer we kunnen afspreken”, zei ik verbazend kalm, en ik legde op.

De wolken zien eruit als een glazen potje watjes die allemaal krap bij elkaar zijn gepropt. “Geen witte kerst”, mompel ik in mijzelf. De regendruppels tikken nu tegen mijn venster. Eerder een natte Kerst, dus. Ergens ver weg hoor ik waterstralen in mijn bad kletteren en ik denk aan de knappe man die onder mijn douchekop staat. De gedachte eraan geeft me plots een erg brandend gevoel. Herinneringen aan de voorbije nacht zweven door mijn hoofd en vullen me met een verlangen naar meer. Zeker na dat sms’je van Tom. Willen of niet, het doet me nog heel veel. Afleiding is dus wel aan de orde. “Sorry, mama”, zeg ik nog in mezelf, alvorens ik mijn T-shirt en slip in mijn slaapkamer achterlaat en naar de badkamer wandel. De warme dampen slaan me aangenaam in het gezicht wanneer ik de deur open.

“Ben.”

Het douchegordijn – en een mond – gaat open. “Luna. Wat krijgen we nu?”

Ik stap in de badkuip en laat mijn handen over zijn natte, stevige lijf glijden terwijl ik met mijn mond langs zijn halslijn glijd. “Mijn moeder redt ’t nog wel even zonder me”, zeg ik, en ik duw mijn borsten tegen zijn borst. “Laten we eerst een nieuwe definitie aan het fenomeen ‘natte kerst’ geven, goed?” Ben grijnst en legt zijn handen op mijn billen. “Als ik je daar een plezier mee kan doen”, zegt hij zacht, met zijn lippen vlak onder mijn rechteroor. “Dat kan je”, fluister ik terug, en ik trek het douchegordijn opnieuw dicht.

Giechels

“Don’t want to meet your momma. Just want to make you come-ah.”

Tom is in zijn keuken aan het shaken als een polaroid picture op Hey Ya! van Outkast. Er hangt een overheersende lookgeur in de kamer, omdat die net iets te lang gestoofd heeft alvorens de rest van de spaghettisaus in de pot te doen. Gelukkig eten we allebei niets liever dan look. Ik leun lui tegen het aanrecht terwijl hij op de maat van de muziek met de houten lepel door de saus draait. “Het water kookt bijna”, zegt hij, zonder één seconde te stoppen met dansen. “Doe jij de pasta al open?”

Ik beantwoord zijn vraag door het pak spaghetti open te scheuren en afwachtend over de kookpot te gaan hangen. Tom scandeert nu “oh-oh!”’s door de ruimte, met zijn ogen gesloten, tot het nummer uitdooft. Ik sta met een grote glimlach naar hem te staren. Dit is exact wat ik zo leuk vind aan Tom. Zijn absolute lak aan schaamte. Ik krijg binnenpretjes als ik terugdenk aan alle keren dat ik al op deze manier naar hem keek. Alle keren dat hij een choreografie uitdokterde met onze winkelkar als er een goed nummer uit de boxen schalde in een supermarkt. Tom doet wat hij wil en trekt zich van niemand iets aan. En dat is zó aantrekkelijk.

“Luna? Luna.”

Zijn gezicht wordt plots weer scherp en ik zie hem vragend naar me kijken.

“Mm?”

“Het water.”

“Mm. Wat is er mee?”

“Het kookt.”

“O. Juist. Sorry. “ Verdwaasd laat ik de helft van ’t pak pasta in de pot verdwijnen terwijl ik vecht tegen kinderlijke giechels.

Ik ken deze giechels.

Ik haat deze giechels.

Het is nu drie weken geleden dat we hand in hand naar de pinguïns wandelden en kinderspaghetti’s aten in het restaurant van de zoo. Het moment dat-ie me, een paar uur later, uiteindelijk uit mijn kleren hielp en me op mijn bed gooide, was ik blij. Geil, ook, maar vooral blij. Ik had mijn favoriete sekssprinter terug. Alles voelde goed. Alles was ook goed. Ik zei ’t al eens, en ik zeg het graag nog een keer: Tom kent me. En ik ken Tom. Toen ik uiteindelijk in zijn armen lag na te duizelen van een paar orgasmes, raapte ik de moed samen om te vragen wat ze eigenlijk van de koptelefoon vond. Zijn cadeautje. Voor haar. Zij. Want haar naam kende ik nog altijd niet. “Wat zij er van vindt, dat weet ik niet”, zei hij, en hij draaide cirkeltjes rond mijn rechtertepel. “Maar ik vind ‘m werkelijk fantastisch.”

Ze kwam niet meer ter sprake. Toen niet, en alle keren daarna ook niet. Vandaag ook niet. Vandaag koken we samen pasta, en daarna kijken we samen naar De Slimste Mens. Tijdens de pauzes hitsen we elkaar zodanig op dat we de finale meestal laten voor wat ze is en naar de slaapkamer rennen om ons eigen spel te spelen. En ’t is altijd fantastisch. Zoals het gisteren ook was, en twee dagen daarvoor. Maar twee dagen geleden waren er nog geen giechels. Nu zijn er giechels.

Ik ken deze giechels.

Ik haat deze giechels.

Ik zie de lange, harde staafjes geleidelijk aan verslappen en uiteindelijk als een kaartspel in elkaar stuiken in ’t hete water. “De saus is wel goed zo, denk ik”, zegt Tom, en hij komt achter me staan en slaat zijn armen om me heen. “Nu is ’t alleen nog wachten op de pasta. 9 minuten. Ik vraag me af wat we tot dan moeten doen.” Hij duwt ’t haar uit mijn nek en zijn lippen op mijn huid doen al mijn fijne haartjes rechtop staan. “Ik vind dit wel een fijne manier om de tijd te doden”, zegt hij speels, en hij draait me om. “Zin om medeplichtig te zijn?” Hij wacht niet op mijn antwoord en trekt met zijn tanden zachtjes aan mijn onderlip. Ik leg mijn armen om zijn nek en trek hem dichter. Alles in mijn lijf verlangt naar Tom. Wanneer hij zijn duim op mijn kin plaatst, heb ik zin om net zoals de spaghettisliertjes te verslappen en mezelf volledig te verliezen in zijn aanrakingen. De opwinding giert door mijn aderen, maar ik weet dat het meer is dan dat. Ik weet dat ik niet gewoon zijn riem wil opentrekken en mezelf wil begraven in zijn kruis. Ik sta hier goed zo, dicht bij hem, met zijn mond op de mijne. Dit is goed zo. Wij zijn goed zo.

Ik teken cirkeltjes op zijn rug en probeer niet te denken aan de cirkeltjes draaiende vingers van Vincent op mijn handpalm. Een stille huivering gaat door me heen en ik duw de herinnering weg. Dit is Tom. Tom is anders. Tom is geen zak. Tom is Tom. Tom is van mij. Denk ik.

Hoop ik.

Ik duw zijn borst iets naar achter en laat ruimte tussen onze lippen komen. Ik haal diep adem en hoop dat de lucht die ik naar binnen zuig, sporen van bravoure bevat.

“Zie je haar nog?”

Tom geeft geen krimp en houdt zijn handen op mijn heupen.

“Nee.” Hij plant een kus op mijn mondhoek en trekt me weer iets dichter. “Echt niet, Loen. En”, vervolgt hij, alsof hij wist dat die vraag nog zou komen, “ik ben het ook niet meer van plan.”

Een gloed van warmte glijdt door me heen. Een gevaarlijk gevoel, weet ik. Meer dan giechels. Meer dan kriebels. Een pad dat ik al eens bewandelde, en een pad dat eindigde aan een plotse afgrond en met een onvermijdelijke val. En toch wrijf ik nu lachend door Toms stugge haar.

“Goed.”

Hij lacht sloom terug en begeleidt mijn hoofd naar zijn schouder. Oh, god. Ik ruik zijn aftershave en voel zijn sterke armen op mijn rug. Ik weet niet wat zeggen. Ik weet niet wat doen. Ik weet zelfs niet hoe ik optimaal kan genieten van zijn hartslag die ik door mijn wang voel bonzen. Ik blijf over zijn hoofd wrijven en hij plant nog een kusje in mijn hals. Tom is van mij. Dat moet haast wel.

“Ga mee”, floep ik er plots uit, onvoorzien, ongepland, een idee dat de tijd niet nam om zich iets beter te vormen in mijn hoofd, maar ’t liefst meteen een grootse entree maakte op mijn tong. “Deze zaterdag, bedoel ik.” Ik neem nog eens diep adem om en hoop dat ik niet als een compleet gek geworden wijf overkom dat gewoon een willekeurige reeks woorden op een rijtje zet en maar hoopt dat ze steek houden. “Ik ga met m’n vrienden cocktails drinken in een erg leuke cocktailbar. Hier, in Antwerpen. Ga mee. Wordt leuk.”

Tom draait bedenkelijk met zijn hoofd tot hij met zijn ogen landt in de mijne.

“Oké”, zegt hij, en zijn slome glimlach is er terug. “Klinkt inderdaad leuk.”

Ik denk terug aan de zin die hij daarnet nog aan ’t meebrullen was met Outkast. Tom doet me ’t echt wel uitschreeuwen van genot, meerdere keren, maar nu ik hier sta, nu ik hier de bevestiging van zijn aanwezigheid op de cocktailavond van m’n vrienden lees op zijn relaxte gezicht, besef ik dat ik eigenlijk, misschien, ooit, in een nabije of verre toekomst, zijn moeder wel eens zou willen ontmoeten. Of hem op zijn minst zou willen voorstellen aan de mijne. Ik schud verward met mijn hoofd wanneer ik besef dat ik zonet, binnen dezelfde seconde, zowel aan orgasmes als aan Toms moeder had gedacht.

“Wat is er, smoelentrekker?” Hij port met zijn vinger in mijn zij en ik lach.

“Stop, stop! Nee, niets, er is niets!” Hij legt zijn armen terug om mijn middel en ik kom zachtjes terug tot rust.

“Er is niets”, zeg ik nog eens, dit maar iets rustiger. “Alles is goed.”

Ik zie Toms pretoogjes en een vertrouwde, potentieel gevaarlijke, maar op dit moment vooral heerlijke steek gaat door mijn lijf. En ik lach.

Nee.

Ik giechel.

Happy Hour

“… En dan, uit ’t niets, greep hij met zijn hand mijn staart vast en trok hij ’t rekkertje los. In één vlotte beweging. Ik kan dat zélf nog niet eens. Ik sta als een onhandig kind aan mijn haar te schudden tot ’t uiteindelijk zelf losbreekt. Maar zo stond-ie daar dan, hé, arrogant te glimlachen met mijn rekkertje in zijn hand. Dan begroef hij zijn gezicht in mijn nek en…”

Mijn gsm trilt voor de derde keer in mijn handtas terwijl Hanne in geuren en kleuren, en iets te luid naar mijn zin, afgaand op de stilte aan de tafel links van ons, over haar laatste wilde seksescapade vertelt. Ze ziet er extatisch uit. Haast orgasmisch. Ik luister beleefd, breng de nodige ‘oh’s en ‘ah’s uit, maar eigenlijk kan het me niets schelen. Ik wil weten wie ’t is die me voor de derde keer in tien minuten probeert te bereiken, en stiekem hoop ik dat ’t Tom is. Tom, die een flauw mopje over de elektriciteit tussen ons in die elektronicawinkel zou maken, en me vervolgens zou voorstellen om een actief uiltje te knappen op zijn appartement.

“… Echt, Loen, zoiets heb ik nog nooit meegemaakt. Zo diep heb ik ’t nog nooit gehad. Je moet ’t ook eens proberen, gewoon, niet de benen in de nek, maar geplooid, en hij die je knieën tegen je kin drukt, en ondertussen echt gewoon verticaal kan glijden…”

“Meiden! Sorry dat ik zo laat ben.”

Olivia gaat op de vrije stoel naast me zitten. Haar wangen zien knalrood en er verschijnen zweetparels achter haar oren. Hanne schuift haar enthousiast haar glas witte wijn toe en grijpt ’t moment van stilte, wanneer Olivia dankbaar een slok neemt, aan om haar diepe avontuur opnieuw van ’t begin af aan te vertellen. Dit is mijn moment.

“Ik ga even naar ‘t toilet”, zeg ik, en ik neem subtiel mijn iPhone uit mijn handtas en duw hem in mijn mouw. Mijn stoel kreunt wanneer ik ‘m achteruit schuif, maar niemand merkt het op – Hanne heeft al snel door dat Olivia een veel beter publiek is dan ik, en verliest zichzelf volledig in de details van haar verhaal. “Ik zweer het je, gewoon met mijn slip nog aan, hé! Hij duwde de fijne stof gewoon opzij, en vond zo een weg naar binnen. Ongelooflijk. Ik kan echt niet verwoorden hoe goed dat voelde. Of wacht. ’t Was iets als…”

Ik duw de zware deur open, leg mijn gsm voor me op de wastafel en richt mijn ogen naar de spiegel. Ik kijk naar mijn haar, dat slordig over mijn schouders valt. Ik neem een lok tussen mijn vingers en bestudeer de puntjes. Gespleten. Ik moet dringend nog eens naar de kapper. Ik slaak een zucht naar mijn geprojecteerde zelf en schuif het ontgrendelbalkje uiteindelijk naar rechts. Drie gemiste oproepen. Wees alsjeblieft Tom.

De eerste naam die ik zie is teleurstellend. Dries. Met tussen haakjes een ‘2’. Er valt een steen in mijn maag als ik aan zijn melancholische woorden terugdenk, toen ik ‘m vorige week ging vertellen dat ’t voor mij genoeg was geweest. Hoe hij zachtjes tegen zijn nog steeds door gips gedomineerde been tikte en zei: “En ik die dacht dat alleen deze breuk me een hard time ging geven”, en hoe hij door die woorden heen lachte, maar ongetwijfeld liever een strak streepje van zijn lippen had gemaakt.

Onder de naam van Dries, staat die van Vincent. Een gemiste oproep van Vincent. Waarom heeft Vincent mij gebeld? Ik bekijk mijn horloge. Half elf. De nacht is al wel aan ’t groeien, maar is ’t niet nog een beetje te vroeg voor Dries om reeds alcoholische sterretjes te zien? Een andere reden voor Vincents telefoontje kan ik niet bedenken – een opmerking, een update, of een vraag met betrekking tot Dries. De laatste keer dat ik ‘m hoorde, was dat namelijk ook alleen maar om me op de hoogte te brengen van Dries’ val. Maar waarom belde hij dan maar één keer? Waarom was er geen voicemail? Geen berichtje?

Mijn stoel zeurt opnieuw als ik hem dichter tegen de tafel aantrek. “Jammer dat Melanie heeft afgezegd, hé?”, zegt Olivia, terwijl Hanne afwezig prutst aan haar nagels. ’t is inderdaad jammer dat ’t vierde zitje aan onze tafel niet gebruikt wordt. Melanie is er normaal altijd bij als we met z’n allen cocktails gaan drinken en de nacht wegroddelen – en ik heb ze d’r ook erg graag bij. Melanie is ’t meest verlegen en ingetogen van ons vier, maar heeft een even bewogen seksleven – alleen heeft zij geen seks om seks, maar seks om liefde. Ze moet alleen een beetje beter leren inschatten bij welke man ’t nu ook om die liefde te doen is, en niet effectief om de seks.

“Vind ik ook. Maar goed, mannen hebben altijd voorrang op eeuwenoude vriendschappen, zo blijkt”, zegt Hanne, waarna ze met een vertrokken gezicht de laatste druppels witte wijn in haar keel laat glijden. “Ik ben benieuwd hoe ’t is op haar date”, zeg ik; een zin in de categorie ‘iets zeggen om iets te zeggen’. In realiteit zoek ik nog steeds naar de reden waarom één van mijn oude stoeiers de weg naar mijn telefoonnummer vond daarnet Ik grijp naar mijn tas terwijl de andere twee lustig speculeren over ’t verloop van Melanies afspraakje. Niets. Geen extra oproep. Alsof ’t niet gebeurd is. Mijn gsm glijdt terug in ’t zijzakje, en net toen ik me had voorgenomen om echt actief deel te nemen aan het gesprek, hoor ik gedempte vibraties. Een telefoontje? Vincent? Mijn arm verdwijnt opnieuw onder tafel. Geen telefoontje. Een sms.

“Je zag er goed uit vrijdag! Zin om er woensdag in mijn gezelschap even ravissant uit te zien?”

“’t Volgende rondje is van mij”, zeg ik enthousiast, en pas dan besef ik dat ik bruusk het onderonsje van Hanne en Olivia heb onderbroken. Gelukkig vergeven vrienden elkaar altijd als er alcohol in ’t spel is. “Geweldig!”, kirt Olivia, en ze grijpt naar de cocktailkaart.

Ik weet reeds wat ik ga drinken. Een long island ice tea. Extra large. Om te vieren dat ’t lekkerste kontje van Vlaanderen terug lekker nonchalant mijn leven is binnengewandeld.

Genomineerd! Stemmen op Lunalovesgood (categorie ‘personal’) mag altijd. Hoeft absoluut niet. Maar mag altijd. #weekendblogawards
Nu terug te vinden op Facebook, maar ook nog steeds op Twitter.

Witte wolkjes en goddelijke kontjes

Telkens ik in een trein zit, probeer ik me, al turend door het raam, te focussen op één punt. Liefst op ’t moment dat de zon al bijna kan proeven van de bomen die fier rechtop staan in de landschappen die mijn trein dan doorkruist. Dan klamp ik me vast aan een wit wolkje en probeer ik de staarwedstrijd, die ik gedoemd ben te verliezen, alsnog te winnen. Het lukt me altijd enkele seconden, maar dan wordt mijn blik gezogen naar een voorbij zoevend huis of een grazende koe. Elke keer opnieuw forceer ik mijn ogen om wederom dat witte wolkje te vergasten op oogcontact, maar elke keer opnieuw wint de grazende koe, wint het voorbij zoevende huis, winnen de bomen.

Ook nu, op het moment dat ik me hopeloos probeer te fixeren op de uitgestalde Samsung Galaxy S5, geven mijn ogen liever de aandacht aan een kontje dat ik herken uit duizend kontjes. Een kontje dat hier helemaal niet hoort te zijn, in dezelfde elektronicawinkel als ik, een elektronicawinkel die ik ook alleen maar binnenstapte om te vluchten van de regen. Een kontje dat ik meermaals fijn knijpte terwijl de eigenaar ervan z’n ballen tegen mijn billen deed ketsen en me vulde tot ’t gewoon niet dieper kon. Had ik maar karakter. Kon ik maar tegen wat nat gemiezer. Nu sta ik hier, oog en oog, met het goddelijke achterste van Tom.

Hij is alleen. Staat de koptelefoons te bestuderen. Vreemd. Ik heb Tom nog nooit interesse weten hebben in koptelefoons. Laat staan muziek. Verder dan de radio ging ’t eigenlijk niet – iets wat ik niet snapte, laat staan snap. Hij ziet er goed uit. Nu ja, Tom ziet er altijd goed uit. Zelfs als hij volledig verward naar koptelefoons staart en uiteindelijk de hulp van een verkoper inschakelt om de ideale koptelefoon te vinden. Aandoenlijk is eigenlijk het juiste woord. Hij ziet er vreselijk aandoenlijk uit, en ik ga zo op in zijn aandoenlijkheid dat ik te laat besef dat er ook koptelefoons in promo naast de smartphonestand staan en dat de vinger van de verkoper nu priemend mijn richting uitwijst.

“Luna?”

Ik glimlach krampachtig terwijl hij de verkoper vriendelijk bedankt voor zijn hulp. Alsof ’t nog niet erg genoeg was dat ik ‘m hier tegenkom, ben ik ook nog eens de oorzaak dat-ie nooit de perfecte koptelefoon zal vinden. “Hey, jij”, zeg ik, beseffend dat het Nederlandse equivalent van “hey, you” nog niet half zo leuk klinkt.

“Wat doe jij hier?”, zegt hij, op een toon van nonchalance – zijn handelsmerk – en al wat ik wil is ’t hemd van zijn lijf scheuren en mijn lippen tegen z’n borst plakken. “Ik vlucht voor de regen”, zeg ik, terwijl ik mijn schouders ophaal. “En jij?” Hij neemt een knaloranje koptelefoon, trekt ‘m een beetje open en plaatst hem op zijn hoofd. “Op zoek naar iets als dit”, zegt hij, en hij wijst naar zijn bedekte oren, alsof ik de link anders nooit zelf had gelegd. “Wat moet je daar nu mee”, zeg ik, en mijn vingers jeuken om zijn gezicht te strelen. “Voor zover ik weet, vind je muziek net zo leuk als ik regen vind.”

Hij haalt ’t lelijke, oranje ding van zijn hoofd en legt ‘t weer op zijn plaats. “Hij is niet voor mij”, zegt hij, en hij ontwijkt mijn ogen. “’t Is… Ik denk eraan om… Ik had ’t idee om…” Hij frunnikt aan de mouwen van zijn pull en blijft struikelen over elk nieuw woord dat hij probeert uit te spreken. “Ik weet ’t nog niet zeker, maar misschien is ’t een leuk, ja, goed, ik weet niet-“

“Tom.” Ik zeg het zacht, misschien zelfs geruststellend, hoewel Toms gestuntel me erg nerveus maakt. “Zeg het maar.”

“Voor haar”, zegt hij uiteindelijk, en hij waagt een poging om me recht aan te kijken. “’t Is een cadeautje voor haar.”

Ik slik. Uiteraard was dat ’t eerste waar ik aan dacht toen ik ‘m zag. Hoe ’t nu zat met zijn meisje. Er gaan wel meerdere dagen voorbij waarop ik er niet aan denk, dagen die zich vullen met lege gedachten en een goedkope fles prosecco, maar ik denk nog vaak terug aan ’t moment dat ik voor ’t laatst een vertrouwde mengeling van z’n aftershave en z’n lichaamsgeur mocht opsnuiven. ’t Moment dat ik me eerst begroef in zijn armen en dan voor altijd los liet. Ik denk er niet aan terug met pijn, noch met teleurstelling; eigenlijk is ’t gewoon een herinnering die soms een wandeling door mijn hersenspinsels maakt zonder daarbij herfstblaadjes te doen opwaaien. Al bleef er één groen blaadje aan de verder volledig uitgedwarrelde boom hangen: de vraag naar haar, wie ze was, waarom ze er was, en of ze er nog lang ging zijn. Een frisse, levendige vraag, die nu beantwoord de dood vond en zich snel bij zijn groengeelrode familie zou voegen, om het voetpad van mijn gedachten nog wat meer van een herfsttapijt te voorzien.

“O, wel, fijn voor je.” De woorden tuimelen goedbedoeld uit mijn mond, maar klinken sarcastisch eens ik ze uitgesproken hoor, wat er toe leidt dat ik nog snel “en dat meen ik echt” eraan toevoeg. Ik besluit mijn oprechtheid kracht bij te zetten door zachtjes mijn hand op zijn hand, dat beschermend gekruist over zijn andere arm lag, te drukken. De aanraking voelt, niet verrassend in een elektronicazaak, elektrisch. Tom lost zijn defensieve houding en mijn hand valt in ’t niets wanneer hij ’t zijne in zijn zak laat verdwijnen. Hij kijkt naar me, in een poging me te doorgronden, maar hij weet ’t evengoed als ik – in mijn ogen zie je niets wat ik niet wil dat je ziet.

“Goed, dan ga ik maar”, zeg ik, en ik glimlach zuinig naar zijn ogen. Ik draai me om en zet één stap, maar bevries op ’t moment dat iets de vrije ruimte rond mijn rechterhand vult. Ik draai mijn hoofd en zie Tom, en wanneer ik met mijn blik van zijn schouders naar zijn hand ga, kom ik uit bij mijn vingers. Zijn duim wrijft zachtjes over mijn duim en even weet ik niet goed waar ik ’t heb. Geen afleiding deze keer. Geen grazende koeien of zoevende huizen. Tom is ’t witte wolkje, althans, zijn ogen zijn twee blauwe wolkjes, en ik heb er allesbehalve moeite mee om me erdoor te laten leiden. Hij duwt zijn duimnagel zachtjes in mijn vel en glijdt er zalig snijdend mee door mijn vel. Ik verroer niet. Kan niet verroeren. Kan alleen maar denken aan zijn scherpe aanraking en hoe ik zijn mond beroeren wil.

Hij lost. Zowel zijn blik, als zijn hand. Een kleine seconde ben ik verward. Is hij verward. Staan we niet in een elektronicawinkel waarin net voor de vijfde keer werd afgeroepen dat de koptelefoons nog tot morgen in promotie zijn. En dan is het voorbij. Hij neemt nogmaals de oranje koptelefoon vast. “Ik wou gewoon weten wat je van deze vond.” ’t Ding is knaloranje aan de oren en oranje-zwart gestreept in de verbinding naar de twee kanten. Het is de lelijkste koptelefoon van alle koptelefoons in promotie, al is geen enkele om over naar huis te schrijven. Maar Tom leek ’t niet te deren. Instinctief wist ik dat hij mijn hand niet vastnam om mijn mening over een of andere koptelefoon te vragen. Hij was sowieso voor de oranje koptelefoon gegaan. Dit was een formaliteit. Een afronding. Een afkoeling. Een manoeuvre om te vergeten.

“Prachtig”, zeg ik. “Ze zal er helemaal weg van zijn.” Ik draai me opnieuw om, zonder gehinderd te worden deze keer, en wandel door de warmtedeur terug naar de straat. ‘t Blinken van de kasseien is ’t enige wat nog deed vermoeden dat ’t nog niet zo lang geleden geregend had. Net zoals de tintelingen in mijn rechterhand ’t enige is wat nog deed vermoeden dat ik zonet een koptelefoon had helpen uitkiezen voor Toms nieuwe vriendin.

Genomineerd! Stemmen op Lunalovesgood (categorie ‘personal’) mag altijd. Hoeft absoluut niet. Maar mag altijd. #weekendblogawards
Nu terug te vinden op Facebook, maar ook nog steeds op Twitter.

Dag, Tom.

“Hier.”

Hij plaatst een dampende tas koffie voor mijn neus en ik plaats beide handen rond de kop. De warmte doet me goed, en de koffiegeur verzacht het harde bonken in mijn hoofd. Heb ik altijd. Slecht slapen staat de volgende dag garant voor een hele voormiddag hoofdpijn. Ik voel de hitte tintelen in mijn vingers en laat ’t kopje los. Zwart is ‘t, best wel trendy, eigenlijk – in een slordig lettertype staat in ‘t wit ‘wake up’ erop geschreven. Zou ik anders wel willen. Wakker worden. Helaas ben ik al mijn capaciteiten om te functioneren vergeten in Toms bed. Hij leunt loom tegen de muur en nipt even van zijn thee. Tom is niet zo’n fan van koffie als ik, al moet ik zeggen dat de liefde bij mij ook nog pril is – tot een kleine twee maand geleden had ik het nog nooit gedronken. Koffie zei me niets, en thee zegt me nog altijd niets.

Zijn blik valt op mijn borsten, die half verstopt zitten onder mijn warme trui. Ik had ‘m niet dichtgeritst, waardoor mijn tepels nét niet (of soms nét wel) te zien zijn. Ik had gehoopt dat ’t iets in hem zou wakker maken, zijn penis bijvoorbeeld, ik zeg nu maar iets, maar al snel richt hij zich terug op zijn warm-water-met-een-smaakje (ik kan me echt niet inbeelden dat iemand zoiets lekker kan vinden) en neemt een slok. Zo is het een tijdje stil. Ik begin met mijn nagels te tikken op de keukentafel, want ik kan er niet tegen. Ik kan hier niet tegen. Er is iets mis, we weten het allebei, maar niemand zegt ‘t, en die grote olifant staat maar wat te stampen en kabaal te maken in de kamer.

“Hoe heet ze?”

Hij verroert zich niet, maar ik merk aan zijn lichaamstaal dat hij de vraag niet had verwacht. Hij zucht, zet zijn tas neer en plaats beide handen naast zijn op het aanrecht.

“Maakt dat iets uit?”

Eigenlijk niet, nee, maar een naam maakt alles wel veel echter. Een naam geeft de mogelijkheid tot gissen. Ik vind dat elke naam een karakter en een uiterlijk oproept, al kan dat natuurlijk ook afhangen van de personen die ik zelf ken met die naam. In ieder geval, ik was gewoon erg nieuwsgierig, en ik wou me een beeld kunnen vormen bij het meisje dat Tom, een jongen die mij enkele maanden geleden afwees toen ik opbiechtte wel iets voor hem te voelen, een jongen die liefde niet kent, die liefde niet wil kennen, die gevoelens afblokt en verstopt… Het meisje dat Tom zo ver kreeg om mij deze morgen gewoonweg niet aan te raken, geen seconde, zelfs niet per ongeluk, omdat hij dacht dat ’t met haar wel iets kon worden.

“Ik maak maar gewoon conversatie, hoor.”

Hij zwijgt. Een mens begint zich wel af te vragen wat nu juist zijn probleem is. Het is tien uur ’s morgens. Negen uur geleden trok hij nog hard aan mijn haar om het ritme van mijn pijpen te bepalen alvorens een prachtig kreunconcert in te zetten en volledig uitgeteld in zijn kussen te vallen, terwijl ik bleef zuigen tot hij stopte met schokken en begon te krimpen. “Wat doe je dat toch goed”, zei hij, en hij slaakte nog wat gelukzalige zuchtjes en trok me dichter in zijn armen om me pas enkele minuten later weer los te laten – de douche lonkte, en daarna ook de slaap. Negen uur geleden. Nu zit ik aan zijn keukentafel met de kennis van een meisje dat als eerste persoon ooit een vlag, al was het nog maar een kleine, heeft kunnen planten op Toms hart: een kleine stap voor haar, misschien, maar een enorm grote voor hem.

Een mens kan zich ook beginnen afvragen wat mijn probleem is. Waar maak ik me nou druk om? Tom is synoniem voor seks. Vroeger stond zijn naam voor vlinders, en daarna voor hartsplinters, maar toen kwam de mantel des winters en nu is hij effectief gewoon een van mijn favoriete bedsprinters. Ik mis Dries, en dat lieg ik niet. Ik mis zijn warmte, en ik mis zijn lach. Onder de lakens was hij echter nooit een prijsbeest. Tom zet mijn wereld op stelten, doet me dingen doen die ik eerder niet deed, dingen zéggen die ik eerder niet zei – eerlijk, ik weet niet of hij het echt zou halen van Vincent, maar hij komt wel heel erg dicht in de buurt. En aangezien ik die laatste nu liever een tijdje vermijd, was hij mijn eerste keuze. En nu is-ie weg. Ben ik ‘m kwijt.

“Nu niet om onbeleefd te zijn, want ik zit er niet mee, maar, blijf je nog lang? Moet dringend nog eens stofzuigen hier, en ik vind het leuker als een meisje – als niemand, eigenlijk – dat kan zien.”

Hij doet echt nog een poging om grappig te zijn, en dat apprecieer ik. Hij wil me buiten, en ik wil hier eigenlijk ook niet meer zijn. Dit voelt gewoon gek. Ik weet niet wanneer ik Tom nog eens ga terugzien – of ik hem nog eens ga terugzien, want onze wegen kruisen alleen maar op een seksrondpunt. Ik duw me recht aan de tafel en loop naar de slaapkamer om me aan te kleden. Even twijfel ik nog om ostentatief voor zijn neus mijn slipje te wisselen en mijn borsten in mijn bh te stoppen, maar ik beslis dan toch maar om het achter gesloten deuren te houden. Hij heeft zijn oog op een meisje. En dat is goed voor hem. En oké voor mij. Denk ik.

Ik rits mijn trui dicht terwijl ik terug naar de keuken wandel en steek mijn voeten in mijn favoriete rode pumps. Hij staat uit ’t raam te kijken en hoewel ik weer eerst twijfel, besluit ik dan toch om het te doen. Ik wandel naar hem toe en sla ik mijn armen om zijn middel heen. Hij legt zijn handen op de mijne en ik rust mijn hoofd op zijn schouder.

“Ik ga je missen.”

Hij draait zich om, neemt mijn handen en sluit ze weer achter zich. Ik weet niet of ik ooit al echt geknuffeld heb met Tom. Hij drukt zijn lippen tegen mijn hoofd, en ik denk dat hij er misschien wel een kus op gaf, maar of het nu zo is of niet, zijn dichte aanwezigheid voelt erg fijn.

“Ik jou ook.”

Ik laat los en wandel naar de keukentafel om mijn jas van de stoel te halen. Ik pak nog snel mijn tas koffie om een slok te nemen, maar die is uiteraard al koud. Even koud als de gure wind buiten, even koud als de regendruppels op mijn neus, even koud als het stuur van mijn auto. Ik sla mijn pinker aan en rijd weg uit Toms straat. “Dag, Tom”, zeg ik luidop, en besef dan hoe stom dat eigenlijk is – maar ’t is wel zo. Ik vind blindelings de weg naar de autostrade en ’t doet me denken aan de eerste paar keren dat ik de weg naar Toms appartement moest zoeken. We maakten toen eindeloos veel keren het TomTommopje, dat ik best mijn TomTom meenam, om de weg te vinden naar Tom, met de TomTom. Een glimlach speelt me om de lippen en ik besef dat ik een heleboel leuke herinneringen aan hem heb – aan Tom. Hij is daar, ik ben hier, en met elke seconde komen er wat extra meters tussen ons in – een afstand die niet snel meer ingekort zal worden. Maar ’t is goed zo. Ik draai de volumeknop open en vlucht weg in een vette bass line.

Dag, Tom.

Droefenis in alcohol verdrinken, men probere ’t niet, want is er één gediplomeerd zwemmer, ’t zal wezen ’t verdriet

Vandaag hield iemand me tegen op straat om me te vragen waar hij de cinema kon vinden. De man in kwestie koos werkelijk een uiterst ongelukkig moment uit om mijn hulp te vragen. Ik struinde door de Antwerpse straten met een hysterische kater die zich had losgetrokken van mijn leiband en liet me volledig leiden door Massive Attack (Unfinished Sympathy moet het mooiste nummer zijn dat ooit gemaakt is) op het moment dat hij plots voor mij kwam staan en zijn lippen bewoog. Het koste me op zijn minst twee seconden om te beseffen dat ik één, moest participeren in sociaal contact, en twéé, met een barstend hoofd de weg naar de UGC moest uitleggen. Daar kwam ik namelijk achter toen ik aan hem bekende dat liplezen niet mijn forte was en of hij het misschien nog eens wou herhalen. Hij stelde me de vraag nog eens, en de gedachte besloop me dat hij voor zo’n Antwerps accent te hebben op zich wel diende te weten waar hij de bioscoop kon vinden.

“Dus, je gaat hier naar rechts, en dan ga je gewoon rechtdoor, en dan kom je op een plaats, die ze de Roosevelt noemen, en dan, dus als dit de Roosevelt is, hé, mijn vuist, en dan moet je dus hier zijn, waar mijn wijsvi”

“Ik begrijp er echt absoluut niets van”, zegt hij, en je moet zijn eerlijkheid op zich wel appreciëren. “Ik vraag het aan het einde van de straat rechts wel nog eens aan iemand.” Hij laat een klein lachje horen en zegt nog snel, voor hij de cinema gaat zoeken, “dat is echt een mooie jas.”

Goed. Ik had uiteraard liever een compliment over mijn ogen, mijn haar, mijn lach of mijn lijf gehad, maar aangezien de ruimte onder elk oog praktisch een goed gevuld zandzakje kon zijn en mijn haar ongetwijfeld nog een aroma van Stella verspreidde, kon ik het hem moeilijk kwalijk nemen. Een compliment blijft ook een compliment, of het nu over mijn zachte leren jas gaat of over mijn door de zon geliefkoosde en op die manier stiekem blond geworden bruine haar.

Zijn onhandige manier van complimenteren deed me denken aan Tom. Tom is een van mijn lievelingetjes. Hij is een reus – ik moet echt op mijn tippen staan om ter hoogte van zijn lippen te geraken – en niet onknap om naar te staren als hij zijn kopje schuin laat hangen terwijl hij over één van zijn vele werkavonturen vertelt. Hij weet exact waar hij zijn vingers moet plaatsen om mij te doen kirren als een klein kind (wel heel erg fout om die vergelijking in deze context te gebruiken, maar kijk, ik doe het toch maar) en heeft de goede gewoonte om heel erg veel mijn naam te zeggen elke keer als hij zijn erectie door mijn borsten laat glijden – iets wat-ie heel graag doet, en waar mijn tweeling zich graag voor laat lenen. Hij wordt helemaal gek als ik eindeloos door zijn dikke bos haar krab en hij weet exact in welke standjes hij zich het diepst in mij kan graven. Tom en ik, dat zit wel goed.

Ooit vroeg ik Tom om een complimentje. “Ik geef jou er zó veel, en ik krijg er nooit een terug”, mopperde ik, want ik wou nou eerlijk gezegd wel eens weten wat Tom van me vond. “Je bent fantastisch in bed”, zei hij, wat me natuurlijk niets deed, want elk meisje dat al maar een beetje actief meedoet onder (of op) de lakens wordt geclassificeerd als “fantastisch in bed”. “Probeer het nog eens”, spoorde ik hem aan, want ik had honger naar een complimentje, en dit was maar een heel pover voorgerecht dat mijn honger niet stilde. “Oké”, zei hij, en hij rechtte zich een beetje, alsof het echt menens was deze keer.

“Soms ben je wel grappig. En je bent echt heel goed in Nederlands.”

Tom en complimentjes, ’t is geen goede combinatie. Maar de momenten waarop hij mij dichter trekt en zijn kin op mijn schouder laat steunen, maken al zijn pseudobewondering goed. We hadden er een afspraak over gemaakt: na een partijtje rollebollen beslisten we samen hoeveel minuten ik had verzameld met pijpen, en die kreeg ik dan in de vorm van knuffels terug. Het is een schoolvoorbeeld van mutualisme: hoe meer hij geniet van mijn tongkunstjes, hoe meer ik geniet van zijn warme lichaam tegen dat van mij.

Op momenten als dit mis ik Tom. Ik zie de verdwaalde jongen de hoek omslaan en verdwijnen en bedenk me dat het evengoed Tom had kunnen zijn die nonchalant de ene voet voor de andere zet en met alle gemak van de wereld zijn leven laat lopen zoals hij wil dat het loopt. Het had evengoed Tom kunnen zijn die uit mijn zicht verdween en zijn tocht hervatte, met als eindbestemming ‘de cinema’.

Het had zelfs Dries kunnen zijn die de hoek omsloeg en verdween. Het is pas op het moment dat de verdwaalde jongen de filmzaal vast al gevonden heeft en een gehaaste vrouw haar schouder rakelings langs de mijne schuurt als gevolg van een iets te kort ingeschatte bocht dat ik besef dat het Dries was, die me gisteravond, vlak voor ik me thuis met een fles tequila en een halve citroen naar de verdoemenis zoop en niet goed snapte waarom ik de nood had om te vluchten in alcohol en mijn verdriet te verdrinken, hoewel iedereen weet dat droefenis erg goed kan zwemmen – het is pas op dat moment dat ik besef dat het Dries was die me gisteravond een afstandelijke knuffel gaf, een kuise kus op mijn wang, een laatste (lege) blik en een pijnlijke scheut doorheen mijn borst alvorens de hoek om te slaan en te verdwijnen in een leven waar ik zonet alle bestaansrecht in had verloren.