Giechels

“Don’t want to meet your momma. Just want to make you come-ah.”

Tom is in zijn keuken aan het shaken als een polaroid picture op Hey Ya! van Outkast. Er hangt een overheersende lookgeur in de kamer, omdat die net iets te lang gestoofd heeft alvorens de rest van de spaghettisaus in de pot te doen. Gelukkig eten we allebei niets liever dan look. Ik leun lui tegen het aanrecht terwijl hij op de maat van de muziek met de houten lepel door de saus draait. “Het water kookt bijna”, zegt hij, zonder één seconde te stoppen met dansen. “Doe jij de pasta al open?”

Ik beantwoord zijn vraag door het pak spaghetti open te scheuren en afwachtend over de kookpot te gaan hangen. Tom scandeert nu “oh-oh!”’s door de ruimte, met zijn ogen gesloten, tot het nummer uitdooft. Ik sta met een grote glimlach naar hem te staren. Dit is exact wat ik zo leuk vind aan Tom. Zijn absolute lak aan schaamte. Ik krijg binnenpretjes als ik terugdenk aan alle keren dat ik al op deze manier naar hem keek. Alle keren dat hij een choreografie uitdokterde met onze winkelkar als er een goed nummer uit de boxen schalde in een supermarkt. Tom doet wat hij wil en trekt zich van niemand iets aan. En dat is zó aantrekkelijk.

“Luna? Luna.”

Zijn gezicht wordt plots weer scherp en ik zie hem vragend naar me kijken.

“Mm?”

“Het water.”

“Mm. Wat is er mee?”

“Het kookt.”

“O. Juist. Sorry. “ Verdwaasd laat ik de helft van ’t pak pasta in de pot verdwijnen terwijl ik vecht tegen kinderlijke giechels.

Ik ken deze giechels.

Ik haat deze giechels.

Het is nu drie weken geleden dat we hand in hand naar de pinguïns wandelden en kinderspaghetti’s aten in het restaurant van de zoo. Het moment dat-ie me, een paar uur later, uiteindelijk uit mijn kleren hielp en me op mijn bed gooide, was ik blij. Geil, ook, maar vooral blij. Ik had mijn favoriete sekssprinter terug. Alles voelde goed. Alles was ook goed. Ik zei ’t al eens, en ik zeg het graag nog een keer: Tom kent me. En ik ken Tom. Toen ik uiteindelijk in zijn armen lag na te duizelen van een paar orgasmes, raapte ik de moed samen om te vragen wat ze eigenlijk van de koptelefoon vond. Zijn cadeautje. Voor haar. Zij. Want haar naam kende ik nog altijd niet. “Wat zij er van vindt, dat weet ik niet”, zei hij, en hij draaide cirkeltjes rond mijn rechtertepel. “Maar ik vind ‘m werkelijk fantastisch.”

Ze kwam niet meer ter sprake. Toen niet, en alle keren daarna ook niet. Vandaag ook niet. Vandaag koken we samen pasta, en daarna kijken we samen naar De Slimste Mens. Tijdens de pauzes hitsen we elkaar zodanig op dat we de finale meestal laten voor wat ze is en naar de slaapkamer rennen om ons eigen spel te spelen. En ’t is altijd fantastisch. Zoals het gisteren ook was, en twee dagen daarvoor. Maar twee dagen geleden waren er nog geen giechels. Nu zijn er giechels.

Ik ken deze giechels.

Ik haat deze giechels.

Ik zie de lange, harde staafjes geleidelijk aan verslappen en uiteindelijk als een kaartspel in elkaar stuiken in ’t hete water. “De saus is wel goed zo, denk ik”, zegt Tom, en hij komt achter me staan en slaat zijn armen om me heen. “Nu is ’t alleen nog wachten op de pasta. 9 minuten. Ik vraag me af wat we tot dan moeten doen.” Hij duwt ’t haar uit mijn nek en zijn lippen op mijn huid doen al mijn fijne haartjes rechtop staan. “Ik vind dit wel een fijne manier om de tijd te doden”, zegt hij speels, en hij draait me om. “Zin om medeplichtig te zijn?” Hij wacht niet op mijn antwoord en trekt met zijn tanden zachtjes aan mijn onderlip. Ik leg mijn armen om zijn nek en trek hem dichter. Alles in mijn lijf verlangt naar Tom. Wanneer hij zijn duim op mijn kin plaatst, heb ik zin om net zoals de spaghettisliertjes te verslappen en mezelf volledig te verliezen in zijn aanrakingen. De opwinding giert door mijn aderen, maar ik weet dat het meer is dan dat. Ik weet dat ik niet gewoon zijn riem wil opentrekken en mezelf wil begraven in zijn kruis. Ik sta hier goed zo, dicht bij hem, met zijn mond op de mijne. Dit is goed zo. Wij zijn goed zo.

Ik teken cirkeltjes op zijn rug en probeer niet te denken aan de cirkeltjes draaiende vingers van Vincent op mijn handpalm. Een stille huivering gaat door me heen en ik duw de herinnering weg. Dit is Tom. Tom is anders. Tom is geen zak. Tom is Tom. Tom is van mij. Denk ik.

Hoop ik.

Ik duw zijn borst iets naar achter en laat ruimte tussen onze lippen komen. Ik haal diep adem en hoop dat de lucht die ik naar binnen zuig, sporen van bravoure bevat.

“Zie je haar nog?”

Tom geeft geen krimp en houdt zijn handen op mijn heupen.

“Nee.” Hij plant een kus op mijn mondhoek en trekt me weer iets dichter. “Echt niet, Loen. En”, vervolgt hij, alsof hij wist dat die vraag nog zou komen, “ik ben het ook niet meer van plan.”

Een gloed van warmte glijdt door me heen. Een gevaarlijk gevoel, weet ik. Meer dan giechels. Meer dan kriebels. Een pad dat ik al eens bewandelde, en een pad dat eindigde aan een plotse afgrond en met een onvermijdelijke val. En toch wrijf ik nu lachend door Toms stugge haar.

“Goed.”

Hij lacht sloom terug en begeleidt mijn hoofd naar zijn schouder. Oh, god. Ik ruik zijn aftershave en voel zijn sterke armen op mijn rug. Ik weet niet wat zeggen. Ik weet niet wat doen. Ik weet zelfs niet hoe ik optimaal kan genieten van zijn hartslag die ik door mijn wang voel bonzen. Ik blijf over zijn hoofd wrijven en hij plant nog een kusje in mijn hals. Tom is van mij. Dat moet haast wel.

“Ga mee”, floep ik er plots uit, onvoorzien, ongepland, een idee dat de tijd niet nam om zich iets beter te vormen in mijn hoofd, maar ’t liefst meteen een grootse entree maakte op mijn tong. “Deze zaterdag, bedoel ik.” Ik neem nog eens diep adem om en hoop dat ik niet als een compleet gek geworden wijf overkom dat gewoon een willekeurige reeks woorden op een rijtje zet en maar hoopt dat ze steek houden. “Ik ga met m’n vrienden cocktails drinken in een erg leuke cocktailbar. Hier, in Antwerpen. Ga mee. Wordt leuk.”

Tom draait bedenkelijk met zijn hoofd tot hij met zijn ogen landt in de mijne.

“Oké”, zegt hij, en zijn slome glimlach is er terug. “Klinkt inderdaad leuk.”

Ik denk terug aan de zin die hij daarnet nog aan ’t meebrullen was met Outkast. Tom doet me ’t echt wel uitschreeuwen van genot, meerdere keren, maar nu ik hier sta, nu ik hier de bevestiging van zijn aanwezigheid op de cocktailavond van m’n vrienden lees op zijn relaxte gezicht, besef ik dat ik eigenlijk, misschien, ooit, in een nabije of verre toekomst, zijn moeder wel eens zou willen ontmoeten. Of hem op zijn minst zou willen voorstellen aan de mijne. Ik schud verward met mijn hoofd wanneer ik besef dat ik zonet, binnen dezelfde seconde, zowel aan orgasmes als aan Toms moeder had gedacht.

“Wat is er, smoelentrekker?” Hij port met zijn vinger in mijn zij en ik lach.

“Stop, stop! Nee, niets, er is niets!” Hij legt zijn armen terug om mijn middel en ik kom zachtjes terug tot rust.

“Er is niets”, zeg ik nog eens, dit maar iets rustiger. “Alles is goed.”

Ik zie Toms pretoogjes en een vertrouwde, potentieel gevaarlijke, maar op dit moment vooral heerlijke steek gaat door mijn lijf. En ik lach.

Nee.

Ik giechel.

Advertenties

Happy Hour

“… En dan, uit ’t niets, greep hij met zijn hand mijn staart vast en trok hij ’t rekkertje los. In één vlotte beweging. Ik kan dat zélf nog niet eens. Ik sta als een onhandig kind aan mijn haar te schudden tot ’t uiteindelijk zelf losbreekt. Maar zo stond-ie daar dan, hé, arrogant te glimlachen met mijn rekkertje in zijn hand. Dan begroef hij zijn gezicht in mijn nek en…”

Mijn gsm trilt voor de derde keer in mijn handtas terwijl Hanne in geuren en kleuren, en iets te luid naar mijn zin, afgaand op de stilte aan de tafel links van ons, over haar laatste wilde seksescapade vertelt. Ze ziet er extatisch uit. Haast orgasmisch. Ik luister beleefd, breng de nodige ‘oh’s en ‘ah’s uit, maar eigenlijk kan het me niets schelen. Ik wil weten wie ’t is die me voor de derde keer in tien minuten probeert te bereiken, en stiekem hoop ik dat ’t Tom is. Tom, die een flauw mopje over de elektriciteit tussen ons in die elektronicawinkel zou maken, en me vervolgens zou voorstellen om een actief uiltje te knappen op zijn appartement.

“… Echt, Loen, zoiets heb ik nog nooit meegemaakt. Zo diep heb ik ’t nog nooit gehad. Je moet ’t ook eens proberen, gewoon, niet de benen in de nek, maar geplooid, en hij die je knieën tegen je kin drukt, en ondertussen echt gewoon verticaal kan glijden…”

“Meiden! Sorry dat ik zo laat ben.”

Olivia gaat op de vrije stoel naast me zitten. Haar wangen zien knalrood en er verschijnen zweetparels achter haar oren. Hanne schuift haar enthousiast haar glas witte wijn toe en grijpt ’t moment van stilte, wanneer Olivia dankbaar een slok neemt, aan om haar diepe avontuur opnieuw van ’t begin af aan te vertellen. Dit is mijn moment.

“Ik ga even naar ‘t toilet”, zeg ik, en ik neem subtiel mijn iPhone uit mijn handtas en duw hem in mijn mouw. Mijn stoel kreunt wanneer ik ‘m achteruit schuif, maar niemand merkt het op – Hanne heeft al snel door dat Olivia een veel beter publiek is dan ik, en verliest zichzelf volledig in de details van haar verhaal. “Ik zweer het je, gewoon met mijn slip nog aan, hé! Hij duwde de fijne stof gewoon opzij, en vond zo een weg naar binnen. Ongelooflijk. Ik kan echt niet verwoorden hoe goed dat voelde. Of wacht. ’t Was iets als…”

Ik duw de zware deur open, leg mijn gsm voor me op de wastafel en richt mijn ogen naar de spiegel. Ik kijk naar mijn haar, dat slordig over mijn schouders valt. Ik neem een lok tussen mijn vingers en bestudeer de puntjes. Gespleten. Ik moet dringend nog eens naar de kapper. Ik slaak een zucht naar mijn geprojecteerde zelf en schuif het ontgrendelbalkje uiteindelijk naar rechts. Drie gemiste oproepen. Wees alsjeblieft Tom.

De eerste naam die ik zie is teleurstellend. Dries. Met tussen haakjes een ‘2’. Er valt een steen in mijn maag als ik aan zijn melancholische woorden terugdenk, toen ik ‘m vorige week ging vertellen dat ’t voor mij genoeg was geweest. Hoe hij zachtjes tegen zijn nog steeds door gips gedomineerde been tikte en zei: “En ik die dacht dat alleen deze breuk me een hard time ging geven”, en hoe hij door die woorden heen lachte, maar ongetwijfeld liever een strak streepje van zijn lippen had gemaakt.

Onder de naam van Dries, staat die van Vincent. Een gemiste oproep van Vincent. Waarom heeft Vincent mij gebeld? Ik bekijk mijn horloge. Half elf. De nacht is al wel aan ’t groeien, maar is ’t niet nog een beetje te vroeg voor Dries om reeds alcoholische sterretjes te zien? Een andere reden voor Vincents telefoontje kan ik niet bedenken – een opmerking, een update, of een vraag met betrekking tot Dries. De laatste keer dat ik ‘m hoorde, was dat namelijk ook alleen maar om me op de hoogte te brengen van Dries’ val. Maar waarom belde hij dan maar één keer? Waarom was er geen voicemail? Geen berichtje?

Mijn stoel zeurt opnieuw als ik hem dichter tegen de tafel aantrek. “Jammer dat Melanie heeft afgezegd, hé?”, zegt Olivia, terwijl Hanne afwezig prutst aan haar nagels. ’t is inderdaad jammer dat ’t vierde zitje aan onze tafel niet gebruikt wordt. Melanie is er normaal altijd bij als we met z’n allen cocktails gaan drinken en de nacht wegroddelen – en ik heb ze d’r ook erg graag bij. Melanie is ’t meest verlegen en ingetogen van ons vier, maar heeft een even bewogen seksleven – alleen heeft zij geen seks om seks, maar seks om liefde. Ze moet alleen een beetje beter leren inschatten bij welke man ’t nu ook om die liefde te doen is, en niet effectief om de seks.

“Vind ik ook. Maar goed, mannen hebben altijd voorrang op eeuwenoude vriendschappen, zo blijkt”, zegt Hanne, waarna ze met een vertrokken gezicht de laatste druppels witte wijn in haar keel laat glijden. “Ik ben benieuwd hoe ’t is op haar date”, zeg ik; een zin in de categorie ‘iets zeggen om iets te zeggen’. In realiteit zoek ik nog steeds naar de reden waarom één van mijn oude stoeiers de weg naar mijn telefoonnummer vond daarnet Ik grijp naar mijn tas terwijl de andere twee lustig speculeren over ’t verloop van Melanies afspraakje. Niets. Geen extra oproep. Alsof ’t niet gebeurd is. Mijn gsm glijdt terug in ’t zijzakje, en net toen ik me had voorgenomen om echt actief deel te nemen aan het gesprek, hoor ik gedempte vibraties. Een telefoontje? Vincent? Mijn arm verdwijnt opnieuw onder tafel. Geen telefoontje. Een sms.

“Je zag er goed uit vrijdag! Zin om er woensdag in mijn gezelschap even ravissant uit te zien?”

“’t Volgende rondje is van mij”, zeg ik enthousiast, en pas dan besef ik dat ik bruusk het onderonsje van Hanne en Olivia heb onderbroken. Gelukkig vergeven vrienden elkaar altijd als er alcohol in ’t spel is. “Geweldig!”, kirt Olivia, en ze grijpt naar de cocktailkaart.

Ik weet reeds wat ik ga drinken. Een long island ice tea. Extra large. Om te vieren dat ’t lekkerste kontje van Vlaanderen terug lekker nonchalant mijn leven is binnengewandeld.

Genomineerd! Stemmen op Lunalovesgood (categorie ‘personal’) mag altijd. Hoeft absoluut niet. Maar mag altijd. #weekendblogawards
Nu terug te vinden op Facebook, maar ook nog steeds op Twitter.

Witte wolkjes en goddelijke kontjes

Telkens ik in een trein zit, probeer ik me, al turend door het raam, te focussen op één punt. Liefst op ’t moment dat de zon al bijna kan proeven van de bomen die fier rechtop staan in de landschappen die mijn trein dan doorkruist. Dan klamp ik me vast aan een wit wolkje en probeer ik de staarwedstrijd, die ik gedoemd ben te verliezen, alsnog te winnen. Het lukt me altijd enkele seconden, maar dan wordt mijn blik gezogen naar een voorbij zoevend huis of een grazende koe. Elke keer opnieuw forceer ik mijn ogen om wederom dat witte wolkje te vergasten op oogcontact, maar elke keer opnieuw wint de grazende koe, wint het voorbij zoevende huis, winnen de bomen.

Ook nu, op het moment dat ik me hopeloos probeer te fixeren op de uitgestalde Samsung Galaxy S5, geven mijn ogen liever de aandacht aan een kontje dat ik herken uit duizend kontjes. Een kontje dat hier helemaal niet hoort te zijn, in dezelfde elektronicawinkel als ik, een elektronicawinkel die ik ook alleen maar binnenstapte om te vluchten van de regen. Een kontje dat ik meermaals fijn knijpte terwijl de eigenaar ervan z’n ballen tegen mijn billen deed ketsen en me vulde tot ’t gewoon niet dieper kon. Had ik maar karakter. Kon ik maar tegen wat nat gemiezer. Nu sta ik hier, oog en oog, met het goddelijke achterste van Tom.

Hij is alleen. Staat de koptelefoons te bestuderen. Vreemd. Ik heb Tom nog nooit interesse weten hebben in koptelefoons. Laat staan muziek. Verder dan de radio ging ’t eigenlijk niet – iets wat ik niet snapte, laat staan snap. Hij ziet er goed uit. Nu ja, Tom ziet er altijd goed uit. Zelfs als hij volledig verward naar koptelefoons staart en uiteindelijk de hulp van een verkoper inschakelt om de ideale koptelefoon te vinden. Aandoenlijk is eigenlijk het juiste woord. Hij ziet er vreselijk aandoenlijk uit, en ik ga zo op in zijn aandoenlijkheid dat ik te laat besef dat er ook koptelefoons in promo naast de smartphonestand staan en dat de vinger van de verkoper nu priemend mijn richting uitwijst.

“Luna?”

Ik glimlach krampachtig terwijl hij de verkoper vriendelijk bedankt voor zijn hulp. Alsof ’t nog niet erg genoeg was dat ik ‘m hier tegenkom, ben ik ook nog eens de oorzaak dat-ie nooit de perfecte koptelefoon zal vinden. “Hey, jij”, zeg ik, beseffend dat het Nederlandse equivalent van “hey, you” nog niet half zo leuk klinkt.

“Wat doe jij hier?”, zegt hij, op een toon van nonchalance – zijn handelsmerk – en al wat ik wil is ’t hemd van zijn lijf scheuren en mijn lippen tegen z’n borst plakken. “Ik vlucht voor de regen”, zeg ik, terwijl ik mijn schouders ophaal. “En jij?” Hij neemt een knaloranje koptelefoon, trekt ‘m een beetje open en plaatst hem op zijn hoofd. “Op zoek naar iets als dit”, zegt hij, en hij wijst naar zijn bedekte oren, alsof ik de link anders nooit zelf had gelegd. “Wat moet je daar nu mee”, zeg ik, en mijn vingers jeuken om zijn gezicht te strelen. “Voor zover ik weet, vind je muziek net zo leuk als ik regen vind.”

Hij haalt ’t lelijke, oranje ding van zijn hoofd en legt ‘t weer op zijn plaats. “Hij is niet voor mij”, zegt hij, en hij ontwijkt mijn ogen. “’t Is… Ik denk eraan om… Ik had ’t idee om…” Hij frunnikt aan de mouwen van zijn pull en blijft struikelen over elk nieuw woord dat hij probeert uit te spreken. “Ik weet ’t nog niet zeker, maar misschien is ’t een leuk, ja, goed, ik weet niet-“

“Tom.” Ik zeg het zacht, misschien zelfs geruststellend, hoewel Toms gestuntel me erg nerveus maakt. “Zeg het maar.”

“Voor haar”, zegt hij uiteindelijk, en hij waagt een poging om me recht aan te kijken. “’t Is een cadeautje voor haar.”

Ik slik. Uiteraard was dat ’t eerste waar ik aan dacht toen ik ‘m zag. Hoe ’t nu zat met zijn meisje. Er gaan wel meerdere dagen voorbij waarop ik er niet aan denk, dagen die zich vullen met lege gedachten en een goedkope fles prosecco, maar ik denk nog vaak terug aan ’t moment dat ik voor ’t laatst een vertrouwde mengeling van z’n aftershave en z’n lichaamsgeur mocht opsnuiven. ’t Moment dat ik me eerst begroef in zijn armen en dan voor altijd los liet. Ik denk er niet aan terug met pijn, noch met teleurstelling; eigenlijk is ’t gewoon een herinnering die soms een wandeling door mijn hersenspinsels maakt zonder daarbij herfstblaadjes te doen opwaaien. Al bleef er één groen blaadje aan de verder volledig uitgedwarrelde boom hangen: de vraag naar haar, wie ze was, waarom ze er was, en of ze er nog lang ging zijn. Een frisse, levendige vraag, die nu beantwoord de dood vond en zich snel bij zijn groengeelrode familie zou voegen, om het voetpad van mijn gedachten nog wat meer van een herfsttapijt te voorzien.

“O, wel, fijn voor je.” De woorden tuimelen goedbedoeld uit mijn mond, maar klinken sarcastisch eens ik ze uitgesproken hoor, wat er toe leidt dat ik nog snel “en dat meen ik echt” eraan toevoeg. Ik besluit mijn oprechtheid kracht bij te zetten door zachtjes mijn hand op zijn hand, dat beschermend gekruist over zijn andere arm lag, te drukken. De aanraking voelt, niet verrassend in een elektronicazaak, elektrisch. Tom lost zijn defensieve houding en mijn hand valt in ’t niets wanneer hij ’t zijne in zijn zak laat verdwijnen. Hij kijkt naar me, in een poging me te doorgronden, maar hij weet ’t evengoed als ik – in mijn ogen zie je niets wat ik niet wil dat je ziet.

“Goed, dan ga ik maar”, zeg ik, en ik glimlach zuinig naar zijn ogen. Ik draai me om en zet één stap, maar bevries op ’t moment dat iets de vrije ruimte rond mijn rechterhand vult. Ik draai mijn hoofd en zie Tom, en wanneer ik met mijn blik van zijn schouders naar zijn hand ga, kom ik uit bij mijn vingers. Zijn duim wrijft zachtjes over mijn duim en even weet ik niet goed waar ik ’t heb. Geen afleiding deze keer. Geen grazende koeien of zoevende huizen. Tom is ’t witte wolkje, althans, zijn ogen zijn twee blauwe wolkjes, en ik heb er allesbehalve moeite mee om me erdoor te laten leiden. Hij duwt zijn duimnagel zachtjes in mijn vel en glijdt er zalig snijdend mee door mijn vel. Ik verroer niet. Kan niet verroeren. Kan alleen maar denken aan zijn scherpe aanraking en hoe ik zijn mond beroeren wil.

Hij lost. Zowel zijn blik, als zijn hand. Een kleine seconde ben ik verward. Is hij verward. Staan we niet in een elektronicawinkel waarin net voor de vijfde keer werd afgeroepen dat de koptelefoons nog tot morgen in promotie zijn. En dan is het voorbij. Hij neemt nogmaals de oranje koptelefoon vast. “Ik wou gewoon weten wat je van deze vond.” ’t Ding is knaloranje aan de oren en oranje-zwart gestreept in de verbinding naar de twee kanten. Het is de lelijkste koptelefoon van alle koptelefoons in promotie, al is geen enkele om over naar huis te schrijven. Maar Tom leek ’t niet te deren. Instinctief wist ik dat hij mijn hand niet vastnam om mijn mening over een of andere koptelefoon te vragen. Hij was sowieso voor de oranje koptelefoon gegaan. Dit was een formaliteit. Een afronding. Een afkoeling. Een manoeuvre om te vergeten.

“Prachtig”, zeg ik. “Ze zal er helemaal weg van zijn.” Ik draai me opnieuw om, zonder gehinderd te worden deze keer, en wandel door de warmtedeur terug naar de straat. ‘t Blinken van de kasseien is ’t enige wat nog deed vermoeden dat ’t nog niet zo lang geleden geregend had. Net zoals de tintelingen in mijn rechterhand ’t enige is wat nog deed vermoeden dat ik zonet een koptelefoon had helpen uitkiezen voor Toms nieuwe vriendin.

Genomineerd! Stemmen op Lunalovesgood (categorie ‘personal’) mag altijd. Hoeft absoluut niet. Maar mag altijd. #weekendblogawards
Nu terug te vinden op Facebook, maar ook nog steeds op Twitter.

Dag, Tom.

“Hier.”

Hij plaatst een dampende tas koffie voor mijn neus en ik plaats beide handen rond de kop. De warmte doet me goed, en de koffiegeur verzacht het harde bonken in mijn hoofd. Heb ik altijd. Slecht slapen staat de volgende dag garant voor een hele voormiddag hoofdpijn. Ik voel de hitte tintelen in mijn vingers en laat ’t kopje los. Zwart is ‘t, best wel trendy, eigenlijk – in een slordig lettertype staat in ‘t wit ‘wake up’ erop geschreven. Zou ik anders wel willen. Wakker worden. Helaas ben ik al mijn capaciteiten om te functioneren vergeten in Toms bed. Hij leunt loom tegen de muur en nipt even van zijn thee. Tom is niet zo’n fan van koffie als ik, al moet ik zeggen dat de liefde bij mij ook nog pril is – tot een kleine twee maand geleden had ik het nog nooit gedronken. Koffie zei me niets, en thee zegt me nog altijd niets.

Zijn blik valt op mijn borsten, die half verstopt zitten onder mijn warme trui. Ik had ‘m niet dichtgeritst, waardoor mijn tepels nét niet (of soms nét wel) te zien zijn. Ik had gehoopt dat ’t iets in hem zou wakker maken, zijn penis bijvoorbeeld, ik zeg nu maar iets, maar al snel richt hij zich terug op zijn warm-water-met-een-smaakje (ik kan me echt niet inbeelden dat iemand zoiets lekker kan vinden) en neemt een slok. Zo is het een tijdje stil. Ik begin met mijn nagels te tikken op de keukentafel, want ik kan er niet tegen. Ik kan hier niet tegen. Er is iets mis, we weten het allebei, maar niemand zegt ‘t, en die grote olifant staat maar wat te stampen en kabaal te maken in de kamer.

“Hoe heet ze?”

Hij verroert zich niet, maar ik merk aan zijn lichaamstaal dat hij de vraag niet had verwacht. Hij zucht, zet zijn tas neer en plaats beide handen naast zijn op het aanrecht.

“Maakt dat iets uit?”

Eigenlijk niet, nee, maar een naam maakt alles wel veel echter. Een naam geeft de mogelijkheid tot gissen. Ik vind dat elke naam een karakter en een uiterlijk oproept, al kan dat natuurlijk ook afhangen van de personen die ik zelf ken met die naam. In ieder geval, ik was gewoon erg nieuwsgierig, en ik wou me een beeld kunnen vormen bij het meisje dat Tom, een jongen die mij enkele maanden geleden afwees toen ik opbiechtte wel iets voor hem te voelen, een jongen die liefde niet kent, die liefde niet wil kennen, die gevoelens afblokt en verstopt… Het meisje dat Tom zo ver kreeg om mij deze morgen gewoonweg niet aan te raken, geen seconde, zelfs niet per ongeluk, omdat hij dacht dat ’t met haar wel iets kon worden.

“Ik maak maar gewoon conversatie, hoor.”

Hij zwijgt. Een mens begint zich wel af te vragen wat nu juist zijn probleem is. Het is tien uur ’s morgens. Negen uur geleden trok hij nog hard aan mijn haar om het ritme van mijn pijpen te bepalen alvorens een prachtig kreunconcert in te zetten en volledig uitgeteld in zijn kussen te vallen, terwijl ik bleef zuigen tot hij stopte met schokken en begon te krimpen. “Wat doe je dat toch goed”, zei hij, en hij slaakte nog wat gelukzalige zuchtjes en trok me dichter in zijn armen om me pas enkele minuten later weer los te laten – de douche lonkte, en daarna ook de slaap. Negen uur geleden. Nu zit ik aan zijn keukentafel met de kennis van een meisje dat als eerste persoon ooit een vlag, al was het nog maar een kleine, heeft kunnen planten op Toms hart: een kleine stap voor haar, misschien, maar een enorm grote voor hem.

Een mens kan zich ook beginnen afvragen wat mijn probleem is. Waar maak ik me nou druk om? Tom is synoniem voor seks. Vroeger stond zijn naam voor vlinders, en daarna voor hartsplinters, maar toen kwam de mantel des winters en nu is hij effectief gewoon een van mijn favoriete bedsprinters. Ik mis Dries, en dat lieg ik niet. Ik mis zijn warmte, en ik mis zijn lach. Onder de lakens was hij echter nooit een prijsbeest. Tom zet mijn wereld op stelten, doet me dingen doen die ik eerder niet deed, dingen zéggen die ik eerder niet zei – eerlijk, ik weet niet of hij het echt zou halen van Vincent, maar hij komt wel heel erg dicht in de buurt. En aangezien ik die laatste nu liever een tijdje vermijd, was hij mijn eerste keuze. En nu is-ie weg. Ben ik ‘m kwijt.

“Nu niet om onbeleefd te zijn, want ik zit er niet mee, maar, blijf je nog lang? Moet dringend nog eens stofzuigen hier, en ik vind het leuker als een meisje – als niemand, eigenlijk – dat kan zien.”

Hij doet echt nog een poging om grappig te zijn, en dat apprecieer ik. Hij wil me buiten, en ik wil hier eigenlijk ook niet meer zijn. Dit voelt gewoon gek. Ik weet niet wanneer ik Tom nog eens ga terugzien – of ik hem nog eens ga terugzien, want onze wegen kruisen alleen maar op een seksrondpunt. Ik duw me recht aan de tafel en loop naar de slaapkamer om me aan te kleden. Even twijfel ik nog om ostentatief voor zijn neus mijn slipje te wisselen en mijn borsten in mijn bh te stoppen, maar ik beslis dan toch maar om het achter gesloten deuren te houden. Hij heeft zijn oog op een meisje. En dat is goed voor hem. En oké voor mij. Denk ik.

Ik rits mijn trui dicht terwijl ik terug naar de keuken wandel en steek mijn voeten in mijn favoriete rode pumps. Hij staat uit ’t raam te kijken en hoewel ik weer eerst twijfel, besluit ik dan toch om het te doen. Ik wandel naar hem toe en sla ik mijn armen om zijn middel heen. Hij legt zijn handen op de mijne en ik rust mijn hoofd op zijn schouder.

“Ik ga je missen.”

Hij draait zich om, neemt mijn handen en sluit ze weer achter zich. Ik weet niet of ik ooit al echt geknuffeld heb met Tom. Hij drukt zijn lippen tegen mijn hoofd, en ik denk dat hij er misschien wel een kus op gaf, maar of het nu zo is of niet, zijn dichte aanwezigheid voelt erg fijn.

“Ik jou ook.”

Ik laat los en wandel naar de keukentafel om mijn jas van de stoel te halen. Ik pak nog snel mijn tas koffie om een slok te nemen, maar die is uiteraard al koud. Even koud als de gure wind buiten, even koud als de regendruppels op mijn neus, even koud als het stuur van mijn auto. Ik sla mijn pinker aan en rijd weg uit Toms straat. “Dag, Tom”, zeg ik luidop, en besef dan hoe stom dat eigenlijk is – maar ’t is wel zo. Ik vind blindelings de weg naar de autostrade en ’t doet me denken aan de eerste paar keren dat ik de weg naar Toms appartement moest zoeken. We maakten toen eindeloos veel keren het TomTommopje, dat ik best mijn TomTom meenam, om de weg te vinden naar Tom, met de TomTom. Een glimlach speelt me om de lippen en ik besef dat ik een heleboel leuke herinneringen aan hem heb – aan Tom. Hij is daar, ik ben hier, en met elke seconde komen er wat extra meters tussen ons in – een afstand die niet snel meer ingekort zal worden. Maar ’t is goed zo. Ik draai de volumeknop open en vlucht weg in een vette bass line.

Dag, Tom.

Droefenis in alcohol verdrinken, men probere ’t niet, want is er één gediplomeerd zwemmer, ’t zal wezen ’t verdriet

Vandaag hield iemand me tegen op straat om me te vragen waar hij de cinema kon vinden. De man in kwestie koos werkelijk een uiterst ongelukkig moment uit om mijn hulp te vragen. Ik struinde door de Antwerpse straten met een hysterische kater die zich had losgetrokken van mijn leiband en liet me volledig leiden door Massive Attack (Unfinished Sympathy moet het mooiste nummer zijn dat ooit gemaakt is) op het moment dat hij plots voor mij kwam staan en zijn lippen bewoog. Het koste me op zijn minst twee seconden om te beseffen dat ik één, moest participeren in sociaal contact, en twéé, met een barstend hoofd de weg naar de UGC moest uitleggen. Daar kwam ik namelijk achter toen ik aan hem bekende dat liplezen niet mijn forte was en of hij het misschien nog eens wou herhalen. Hij stelde me de vraag nog eens, en de gedachte besloop me dat hij voor zo’n Antwerps accent te hebben op zich wel diende te weten waar hij de bioscoop kon vinden.

“Dus, je gaat hier naar rechts, en dan ga je gewoon rechtdoor, en dan kom je op een plaats, die ze de Roosevelt noemen, en dan, dus als dit de Roosevelt is, hé, mijn vuist, en dan moet je dus hier zijn, waar mijn wijsvi”

“Ik begrijp er echt absoluut niets van”, zegt hij, en je moet zijn eerlijkheid op zich wel appreciëren. “Ik vraag het aan het einde van de straat rechts wel nog eens aan iemand.” Hij laat een klein lachje horen en zegt nog snel, voor hij de cinema gaat zoeken, “dat is echt een mooie jas.”

Goed. Ik had uiteraard liever een compliment over mijn ogen, mijn haar, mijn lach of mijn lijf gehad, maar aangezien de ruimte onder elk oog praktisch een goed gevuld zandzakje kon zijn en mijn haar ongetwijfeld nog een aroma van Stella verspreidde, kon ik het hem moeilijk kwalijk nemen. Een compliment blijft ook een compliment, of het nu over mijn zachte leren jas gaat of over mijn door de zon geliefkoosde en op die manier stiekem blond geworden bruine haar.

Zijn onhandige manier van complimenteren deed me denken aan Tom. Tom is een van mijn lievelingetjes. Hij is een reus – ik moet echt op mijn tippen staan om ter hoogte van zijn lippen te geraken – en niet onknap om naar te staren als hij zijn kopje schuin laat hangen terwijl hij over één van zijn vele werkavonturen vertelt. Hij weet exact waar hij zijn vingers moet plaatsen om mij te doen kirren als een klein kind (wel heel erg fout om die vergelijking in deze context te gebruiken, maar kijk, ik doe het toch maar) en heeft de goede gewoonte om heel erg veel mijn naam te zeggen elke keer als hij zijn erectie door mijn borsten laat glijden – iets wat-ie heel graag doet, en waar mijn tweeling zich graag voor laat lenen. Hij wordt helemaal gek als ik eindeloos door zijn dikke bos haar krab en hij weet exact in welke standjes hij zich het diepst in mij kan graven. Tom en ik, dat zit wel goed.

Ooit vroeg ik Tom om een complimentje. “Ik geef jou er zó veel, en ik krijg er nooit een terug”, mopperde ik, want ik wou nou eerlijk gezegd wel eens weten wat Tom van me vond. “Je bent fantastisch in bed”, zei hij, wat me natuurlijk niets deed, want elk meisje dat al maar een beetje actief meedoet onder (of op) de lakens wordt geclassificeerd als “fantastisch in bed”. “Probeer het nog eens”, spoorde ik hem aan, want ik had honger naar een complimentje, en dit was maar een heel pover voorgerecht dat mijn honger niet stilde. “Oké”, zei hij, en hij rechtte zich een beetje, alsof het echt menens was deze keer.

“Soms ben je wel grappig. En je bent echt heel goed in Nederlands.”

Tom en complimentjes, ’t is geen goede combinatie. Maar de momenten waarop hij mij dichter trekt en zijn kin op mijn schouder laat steunen, maken al zijn pseudobewondering goed. We hadden er een afspraak over gemaakt: na een partijtje rollebollen beslisten we samen hoeveel minuten ik had verzameld met pijpen, en die kreeg ik dan in de vorm van knuffels terug. Het is een schoolvoorbeeld van mutualisme: hoe meer hij geniet van mijn tongkunstjes, hoe meer ik geniet van zijn warme lichaam tegen dat van mij.

Op momenten als dit mis ik Tom. Ik zie de verdwaalde jongen de hoek omslaan en verdwijnen en bedenk me dat het evengoed Tom had kunnen zijn die nonchalant de ene voet voor de andere zet en met alle gemak van de wereld zijn leven laat lopen zoals hij wil dat het loopt. Het had evengoed Tom kunnen zijn die uit mijn zicht verdween en zijn tocht hervatte, met als eindbestemming ‘de cinema’.

Het had zelfs Dries kunnen zijn die de hoek omsloeg en verdween. Het is pas op het moment dat de verdwaalde jongen de filmzaal vast al gevonden heeft en een gehaaste vrouw haar schouder rakelings langs de mijne schuurt als gevolg van een iets te kort ingeschatte bocht dat ik besef dat het Dries was, die me gisteravond, vlak voor ik me thuis met een fles tequila en een halve citroen naar de verdoemenis zoop en niet goed snapte waarom ik de nood had om te vluchten in alcohol en mijn verdriet te verdrinken, hoewel iedereen weet dat droefenis erg goed kan zwemmen – het is pas op dat moment dat ik besef dat het Dries was die me gisteravond een afstandelijke knuffel gaf, een kuise kus op mijn wang, een laatste (lege) blik en een pijnlijke scheut doorheen mijn borst alvorens de hoek om te slaan en te verdwijnen in een leven waar ik zonet alle bestaansrecht in had verloren.

“Why does it feel so good, so good to be bad? ” – D. Guetta

Ik lig op Vincents borst cirkeltjes te draaien rond zijn navel. ’t Is stil. Af en toe schrikken we op van het wild rijden van een lijnbus over de kasseien, telkens hopende dat het ditmaal écht de laatste was – het is immers al half één ’s nachts.

De volgende dag zou Olivia me vragen hoe het in godsnaam kon gebeuren. Ik zou “kweenie. ’t Ene moment had ik mijn pintje vast, ’t ander zijn penis” antwoorden, en dat zou een volledig waarheidsgetrouw antwoord zijn.

Ik ging immers gewoon even langs om mijn trui op te halen, die ik enkele avonden daarvoor vergeten was bij Dries. Dat ik besliste om langs te gaan wanneer Dries er zélf niet was, is puur toeval. Dat ik de hele weg naar daar aan mijn broek frunnikte omdat ik mijn meest sexy string aanhad en dat ding nu eens echt niet comfortabel zit (vrouwen haten strings eigenlijk, weet je. Nu goed, deze vrouw toch. Voor niets goed, behalve dan voor een erectie) – absoluut niets te maken met het feit dat ik Vincent zou zien. Irrelevant. Randinformatie die je zo snel mogelijk weer mag vergeten.

Als er één ding is dat altijd op me werkt, dat mij prikkelt, mij doet tintelen en zinderen, me doet verlangen als een net gestopte roker naar een sigaret – dan is het zijn geur. Ik stap de ruimte binnen, hoor hem een flesje bier voor me opendoen en ga gewoon in de zetel zitten. De kussens zakken een beetje in terwijl hij me ’t pintje aanreikt en zelf zijn voeten op de glazen tafel in de living legt. “Pas op”, zeg ik, “dat gaat nog fout aflopen.” Hij volgt mijn blik naar de kleine cactus en lacht. “Ik kan wel tegen een stootje”, zegt hij, en om zijn woorden kracht bij te zetten schuift hij zijn kousenvoetjes nog iets dichter bij de prikplant. “Ik meestal ook wel”, zeg ik. “Meestal tegen meer dan één”, repliceert hij, en hij plaatst z’n bier aan z’n lippen.

Welgeteld twee seconden voel ik me slecht. Denk ik aan Dries. Aan zijn zachte vingers over de welving van mijn rug, zijn kusjes op mijn schouders, zijn schattige snurkjes als hij op zijn rug ligt te slapen. Twee seconden lang stel ik me zijn gezicht voor en doe ik mezelf beseffen wat ik op het punt sta te doen. Dan zet ik mijn pintje naast de cactus, kijk ik naar Vincent, doe ik zijn broek open en begraaf ik mijn gezicht in zijn kruis.

“Wat moet je toch met Dries?”

Hij heeft mijn hand vastgepakt en ’t weg van zijn navel en weer dichter naar zijn piemel toe genavigeerd. Het is de derde keer die avond dat hij die zes woorden in de mond neemt. De eerste keer was ongeveer vijf seconden nadat ik mijn mond om zijn ‘derde been’, zoals-ie het zelf zo graag noemt, gesloten had; de tweede keer terwijl hij mij op mijn buik draaide en mijn bh losmaakte. Nu, de derde keer, zei hij het fluisterend, alsof hij besefte dat ik de vraag ondertussen al genoeg gehoord had.

“Zwijg.”

Ik duw mijn lichaam tegen zijn warme lijf terwijl ik rustig met zijn penis begin te spelen. Zachtjes. Hij ademt zwaar in mijn oor. “Je zegt me niet zomaar dat ik moet zwijgen, weet je”, zegt hij, en hij grijpt mijn hand in een poging mijn grip op zijn lid wat te versterken. “Dan doe ik je wel zwijgen”, hijg ik – dat is wel degelijk mogelijk, om woorden te hijgen, of zo ondervond ik het toch – en ik kus hem vol op de mond. Jezus, ik kan er echt amper van over hoe goed die man kan kussen. Hij trekt aan mijn haar en duwt me recht, terwijl hij geen seconde mijn lippen loslaat. Hij positioneert mij daar waar elke man wel een vrouw gepositioneerd wil zien, en ik wil het, en hij wil het, en wij willen het, dus, nou, ja, daar zit ik dan, de huisgenoot van mijn semi-vriendje te berijden. ’t Is volledig donker in de kamer, maar ik weet exact waar zijn ogen zijn. Waar zijn lippen zijn. Waar alles is. Hoe alles is. Het is zo lang geleden dat ik nog eens ervoer hoe ’t is om met Vincent mijn hoofd te verliezen, mijn spraakvaardigheid, mijn ademhaling, gewoonweg alles. Wat een geweldig geheugen heeft-ie ook – zijn vingers in mijn rug zetten, in mijn nek bijten, mijn rug strelen, god, hij weet het allemaal nog – hoe hij subtiel meebeweegt op mijn ritme, maar weet hoe graag ik dat ritme zelf bepaal, hoe ik geniet van die macht.

En toch, toch had ik bijna, toen hij, in pure extase, zijn hoofd in mijn hals begravend, zijn handen mijn billen vastpakkend – toch had ik bijna, toen hij mijn naam samen met een lange zucht slaakte, bijna ‘Dries’ gezegd, in plaats van Vincent.

Of ik mezelf een beetje heel veel aan het verwarren ben met al die stiekeme escapades en foute (of juiste?) (of foute?) (of juiste?) beslissingen? Nou. Doe ’n gok.

“Als Dries dit te weten komt, dan hang ik, weet je”, zegt-ie, nadat we twee minuten in stilte ons sekszweet hebben laten opdrogen. Ik besef maar al te goed wat Vincent zegt. Ik hang ook, als Dries dit ooit te weten komt. Maar het voelt zo goed om zo slecht te zijn, en ik weet niet hoe het komt – David Guetta en ik hebben die eigenschap gemeenschappelijk (even een kleine bekentenis: dat nummer haalt echt de slechtste, meest extatische, vreselijkste dance moves in mij naar boven) (als ik er dan nog bij begin te zingen, dan, nou ja, je snapt het wel). Ik ga op mijn ellenboog steunen en streel over zijn wang. “Ik weet niet wat ik met Dries moet”, zeg ik, eindelijk zijn vraag beantwoordend. Hij knikt en trekt me dichter. “Zorgen voor morgen. De laatste bus is nu écht al wel voorbijgereden, denk ik, en jij hebt me van mijn laatste greintje energie geroofd. Slaap lekker, kleine.” Welgeteld een halve minuut duurt het vooraleer hij van me wegrolt en aan de andere kant van het bed belandt. Ik besluit nog even naar mijn gsm te kijken alvorens dan maar de grote lepel te spelen om alsnog van zijn warmte te genieten – ik herinner me namelijk nog perfect dat Vincent een groot probleem heeft met het delen van de dons, dus dan moet hij maar kachel spelen. Ik zie twee sms’jes van Dries. In ’t één vertelt hij me een grappige anekdote over de man die voor hem stond aan te schuiven in de frituur, en het is écht wel een grappig verhaal; in ’t ander vertelt hij dat hij nu duizend keer liever naast mij in zijn eigen bed zou willen liggen in plaats van in het logeerbed van z’n ouders, waar hij het hele weekend verblijft om hun huis wat te helpen renoveren.

Schuld bekruipt me en omarmt me op hetzelfde moment dat ik mijn armen om Vincent leg. Ik knijp in zijn hand en doe alsof het m’n eigen hand is, alsof ik mezelf tevergeefs wil wakker maken en wil doen beseffen dat ik echt iets verkeerds heb gedaan. Aan het doen ben.

Toch zou ik die volgende morgen in hetzelfde huis als enkele avonden daarvoor wakker worden. Alleen zou ik uit een andere slaapkamer komen, met de geur van een ander in mijn lijf gebrand.

Huisgeno(o)t

“Zo. Dus dit is raar.”

Zijn blik glijdt van mijn ogen, naar uiteraard mijn lijf, blijft daar even hangen, en schuift dan door naar de persoon naast me. Dries. Dries’ hand is strak rond mijn rechterhand gewikkeld. Hij kijkt een beetje defensief. Een beetje maar.

Ja goed. Hij ziet eruit alsof hij elk moment al het rotte fruit in de fruitschaal gaat uitpersen boven Vincents hoofd om dan met een scherp mes heel onnauwkeurig de overgebleven pitjes van zijn schedel te scalpen.

“Lang geleden, Luna. Dat wel. Ik kan er geen datum meer op plakken, alleszins.”

Ik ook niet. Alles met Vincent was wazig. De manier waarop we elkaar leerden kennen – een strandfeest. De manier waarop we elkaar beter leerden kennen – datzelfde strandfeest. De manier waarop hij plots achter mij stond en praktisch zijn vuist in mijn mond duwde om te voorkomen dat ik overdreven genotsvolle geluidjes zou maken – absoluut datzelfde strandfeest. Dat was nog eens een fantastisch avondje zee. Cocktails, een fijn briesje, een halfvolle maan en een niet slecht geschapen man die – zonder inmenging van enig zand of een gebrek aan comfort! – mij toch een ritje liet maken op zijn pretstok. Microsoft Word herkent het woord pretstok niet. Ik kan niet anders dan me afvragen waarom. Waarom gebruiken niet meer mensen het woord pretstok voor lul? Lul. Vuilgebekt palindroom. Lul. Nou. Dries staat op dit moment anders wel een beetje voor lul.

Dries is, zo blijkt, de huisgenoot van Vincent. Ze delen een gezellig klein herenhuisje ergens aan de rand van Brussel. Dries had best al wel vermeld dat-ie een huisgenoot had. Maar even serieus, hoeveel mannen lopen wel niet rond met de naam Vincent? Toegegeven, niet elke Vincent heeft vast een dikke knoert van 20 cm in zijn broek zitten, maar, eerlijk, ik kon ook niet weten dat net díé Vincent een langstaande bromance had met ‘mijn’ Dries. Toch?

Maakt op zich niet uit. Ik heb Vincent na ons strandavontuur niet meer gezien.

Buiten dan de volgende morgen want uiteindelijk ben ik blijven slapen op zijn appartement. Het zou ook kunnen dat ik de week daarop onverwachts met geile pretoogjes toch weer voor zijn deur stond. Zeker ben ik het niet, maar de kans zit er eveneens in dat ik in de weken die daarop volgden wel meermaals op zijn bed/bureautafel/keukentafel/vensterbank/wastafel beland ben. Misschien, hé. Zoals ik al zei. Vincent was wazig.

Dries daarentegen was niet zo wazig. Nadat Tom me belde toen ik op de bus naar huis zat, je weet wel, van dat andere fiasco, spermavlekken-op-kleed en dergelijke, ben ik uiteraard naar hem toe gehold. Leuk was het, wie weet, misschien een verhaaltje voor een andere keer – maar ik dacht, neen. Gedaan ermee. Ik ga daten. Seks op de eerste date is passé. Geef mij op de eerste date maar rundscarpaccio, een goede droge fles wijn en zelf gedraaide bolletjes ijs. Lekker eten is ook seks.

Dries en ik zijn nu aan onze vierde date toe. Ik heb een poging gedaan om geen seks te hebben op onze eerste date, en dat alleen al vind ik noemenswaardig. Gelukt is ’t me wel niet. Nu ja, in theorie wel. Theoretisch gezien was het 00u35 toen hij zijn hand in mijn slip stak. Na middernacht. Kunnen we dat al niet klasseren als een tweede date? Tweede dag, tweede date. Lijkt mij logisch. Een compleet aanvaardbare theorie. Maar nu sta ik dus met een absolute seksgod en een jongen die mij best wel kan bekoren in één kamer. Dries en Vincent.

Bijna had ik er impulsief “Dus! Triootje?” uitgefloept, maar daar zou Dries niet zo erg mee kunnen lachen, denk ik.

Vincent wel. Vincent zou ja zeggen. Ik zou ook ja zeggen. Ik zou altijd ja zeggen tegen een trio. Misschien moet ik het toch maar overwegen om ’t in de groep te gooien. Subtiel dan. Iets als, hé, jij hier, ik hier, hij hier, wij hier, wij allemaal hier, hé, kijk, een slaapkamer…

“Shit.”

Dries laat mijn hand los en grijpt naar zijn smartphone, die aan zijn luide beltoon te horen Dries’ aandacht nodig had. Dries doet ’t goed. Architect is-ie. Net afgestudeerd en al een job. Zijn bureau is bij wijze van spreken aan de overkant van z’n huis. Verbaasde mij dus niet toen-ie plots z’n jas pakte en één of ander teken naar me deed waaruit ik dacht op te maken “ben zo terug, moet even langs kantoor”.

Oké. Wel. Dit komt niet goed.

De deur valt in het slot en de echo van dat schelle geluid verdwijnt. Ik voel mijn pintje verlauwen in mijn hand en neem dan nog maar een slok. Vincent doet hetzelfde. Hij zet zijn flesje neer en kijkt naar mij. Kleine schokjes verspreiden zich door mijn lichaam naar mijn plekje beneden. Kijk niet naar zijn pretstok. Kijk niet. Naar zijn pretstok.

Ik zeg niets. Hij zegt ook niets. Ik begin het ergens heel onbehaaglijk te vinden, maar de stilte is ook onweerstaanbaar. Lang naar ‘m kijken zonder half in de lach te schieten kan ik niet. Sensuele, mysterieuze Luna. Kan geen oogcontact aanhouden voor langer dan 5 seconden vooraleer een proestje uit d’r mond te laten ontsnappen.

Ik neem nog een slok en plaats mijn pint vlak naast die van hem. Er zit een kookeiland tussen ons in. Ik begin te wandelen. Geen kookeiland meer. Alleen lucht. Lucht die heel gemakkelijk verbroken kan worden. Lucht is immers maar lucht.

Hij grijpt naar m’n hand, en het ziet er belachelijk uit. We staan net iets te ver om dat handjehouden er iets of wat leuk uit te doen zien. Ik ga dichter. Zijn hand klemt zich nu volledig om ’t mijne. Hij wrijft met z’n ander door z’n haar. En plaatst het dan op mijn middel. En trekt mij dichter. En plaatst zijn lippen net onder m’n oor.

Oh, jezus.

“Wat moet je met Dries?”

Hij fluistert het heel stil en zijn adem kriebelt. Ik laat mijn hand langs zijn kruis glijden en draai mijn gezicht naar hem toe. Zachtjes neem ik zijn onderlip vast met mijn tanden.

“Ik moet niets. Ik doe wat ik wil.”

Nou goed. Daar stond ik dus geklemd tussen de koelkast en Vincents vreselijk lekkere lijf die mij exact deed herinneren aan de reden waarom ik niet één, niet twee, maar zeker vijf keer op zijn deur ging kloppen. Als een man goed kan kussen, dan is er geen beter voorspel. Dan wil ik kramp krijgen in mijn lippen, mijn tong, mijn mond; dan wil ik ’t opdrijven tot het moment dat ik niet meer kan. Tot hij niet meer kan. Tot het kookeiland ontruimd moet worden.

“Shit.”

Ik strijk mijn trui glad en ga vlot met mijn hand over mijn mond en door mijn haar. Vincent steekt zijn zaak goed. Hij had voor ’t gemak zijn knop zelfs al open gemaakt. Anticiperende jongen.

De deur zwaait open en Dries wandelt binnen. Zijn haar plakt een beetje aan zijn voorhoofd, wat mij vertelt dat hij zich heeft gehaast. Voor mij? Of voor de gevaarlijke situatie? Of voor allebei? “Hey, ik kom snel even die papieren halen want mijn date wacht op me. Bij mijn huisgenoot. De kans bestaat dat ze ons kookeiland aan het bezoedelen zijn. Moet die toestand dus wel gaan opmeten. Dag!”

“Sorry daarvoor, Luna. Nou, dag, Vincent. Wij gaan film kijken.”

Hij neemt mijn hand en trekt me mee naar zijn kamer. Fuck film kijken. Ik wil geen film kijken. Tenzij die “Op een onbewoond Kookeiland” heet en Vincent en ik de hoofdrollen vertolken. Wat moet ik nu met Dries?

“Amuseer jullie. Als je iets nodig hebt, je weet me te vinden.”

Ik weet exact wat-ie daarmee bedoelt en het moment dat Dries mij zachtjes op zijn bed legt weet ik dat nog altijd. Het moment dat Dries zijn hoofd tegen het mijne plakt en zachtjes, heel zachtjes, met mij ‘de liefde bedrijft’ (wat echt wel de juiste omschrijving is hier), hoor ik Vincents woorden nog nagalmen. ’t Moment dat Dries loom zijn arm om me heeft gedrapeerd en zich rustig laat wegglijden in een fantastische post-seksslaap, neem ik mijn mobiel en verzend ik een sms naar Vincent.

“Ik weet je wonen nu. Ooit kook je voor me. Op dat eiland.”

Ik ga daten, zei ik. Gedaan met dat gefladder van de ene jongen naar de ander. Maar jongens. ’t Is zo vreselijk saai. Vijf keer seks met Dries is niets in vergelijking met die stomende kus van Vincent. Niets.

Ik draai me weg van Dries en druk het deken dichter tegen me aan. Ergens, in de verte, hoor ik mijn gsm trillen. Ik glimlach door de dons en sluit mijn ogen. Kijken hoef ik nu niet. Ik heb een vrij goed idee van wat er in dat bericht zal staan.