Woensdag Tomdag (1)

Het licht springt op groen en ik wandel ’t zebrapad over terwijl ik de ritssluiting van mijn jas wat meer naar omhoog trek. Woensdag Tomdag. Allemaal goed en wel. Erg fijn. Maar een dag zonder mijzelf weerspiegeld te zien in regenplassen, was weliswaar fijner geweest. De vlaggen van de NMBS wapperen net zo enthousiast als kleine kinderen die kirren van plezier wanneer Sinterklaas met zijn al dan niet zwarte pieten door de straten loopt in december. Vandaag voelt al een klein beetje als december, eigenlijk, en wanneer de wind mij om de oren slaat, kan ik er alleen maar blij om zijn dat ik mijn haar in mijn sjaal verstopt heb. Goed. Hier sta ik dan. Op de plek waar de hele zomer lang dat imposante reuzenrad stond. 14u, Centraal Station. Wacht op me aan de ingang op het Astridplein. Fietsers met hun kap dichtgeknoopt onder hun kinnen schieten me voorbij terwijl ik bid dat de regendruppels mijn mascara niet doen uitlopen. Ik zie er te ravissant uit om al mijn moeite te laten verpesten door een herfstprik. “Kom nu, Tom”, mompel ik, terwijl een windstoot me nog maar eens van de wijs brengt. “Ik ben er al. Nu jij nog.”

Ik heb geen flauw idee wat we gaan doen. Niet ’t kleinste vermoeden. Ik weet ook niet goed of we iets gaan doen – iets wat ik vorige week zo graag wou doen, daar in die elektronicawinkel, die winkel die hij een vijftigtal euro’s rijker maakte door er een cadeautje te kopen voor ‘haar’. Een zwaar gewicht zakt me in de maag als ik mezelf er nog maar eens aan herinner dat hij een meisje heeft. Maar waarom wil hij me zien, dan? Om als vrienden een warme chocomelk te gaan drinken en nostalgische herinneringen op te halen zonder er nieuwe te maken? Om als makkers een bezoekje te brengen aan Aquatopia en dan gelukskoekjes te gaan kopen in een Chinese supermarkt? Waarom in godsnaam moet ik hier, in de gierende wind, met me in het gezicht slaande regendruppels, aan het station van Antwerpen zijn?

“We gaan naar de zoo!” De intonatie waarop hij die zin zonet uitsprak valt te vergelijken met een boodschap à la “Ik heb zonet één miljoen euro gewonnen met de Lotto!”. Mijn mond valt open terwijl ik naar zijn ondeugende, gelukkige gezicht kijk.

“De zoo?”

Hij lacht al zijn tanden bloot en knikt alsof zijn leven er van afhangt.

“De zoo”, herhaal ik, en het begint me te dagen dat het geen grap is. “We gaan naar de zoo.”

“Ja, Luna”, zegt hij, deels met zijn ogen draaiend, deels een poging ondernemend om zijn enthousiasme te verbergen. “We gaan naar de zoo.”

“Maar het regent.”

Zijn ogen rollen nu bijna helemaal uit zijn oogkassen en hij slaat bemoedigend eens tegen mijn schouder. “Dat betekent dat er niet zo veel volk gaat zijn. We gaan alle dieren van op de eerste rij kunnen zien!” Ik sta op het punt om Tom duidelijk te maken dat de zoo niet echt met rijen werkt, maar hij ziet er zo gelukkig uit dat ik het niet over mijn hart krijg. “Laten we maar gaan, dan, zeker?”, zeg ik, en een kleine zucht ontsnapt mee met de woorden.

Ik heb absoluut niets tegen de zoo. Integendeel. Ik hou van de zoo. Ik hou van de sfeer die er hangt. Kinderen die bijleren over exotische dieren. Verzorgers die vrolijk lachen en elkaar vertellen over een recente geboorte. Ik hou van de apen, die ik al meer obscene dingen heb zien doen dan ik mezelf, en ik hou van de kikkers, de spinnen, de schildpadden, de otters, de pinguïns. Ik hou van de zoo. Ik hou echter meer van een warme ruimte waarin ik mijn natte sjaal te drogen kan leggen, waarin ik een verkoudheid kan voorkomen en waarin ik mijn mooie gedecolleteerde truitje kan blootstellen (ha!) aan Tom.

Hij geeft mij mijn ticketje, dat hij zelf heeft betaald, en laat me voorgaan met een overdreven buiging. “Charmant”, zeg ik sarcastisch, en ik loop verder, tot ik na een zachte tik tegen mijn billen geen stap meer zet. Wanneer ik me omdraai, zie ik Tom vermanend mijn richting uit kijken. “Niet zo bijdehands, hé, Dot”, zegt hij, en ’t is niet de eerste keer dat hij mijn familienaam tot die drie letters afkort. Hij vormt zijn lippen weer tot een glimlach en wandelt me wederom heerlijk nonchalant voorbij. “Kom je nog?” Hij wandelt nu achteruit en gooit daarbij een denkbeeldige lasso om mijn lijf en trekt me met zich mee. ’t Doet me giechelen, en wanneer hij terug lacht, krijg ik ’t warm. Oké. De zoo was misschien toch niet zo’n slecht idee.

“Hoe beginnen we?”, vraag ik, terwijl ik zelf onze opties overloop. We kunnen links beginnen, bij de apen, of rechts, bij de beren. ’t Is naar de beren dat Tom uiteindelijk wijst. “Daar”, zegt hij, en hij zet zijn woorden kracht bij door er meteen naartoe te wandelen. “Links is wat ze verwachten. Laten we tegendraads doen.” We passeren de flamingo’s, de panters, de jaguars, en bij elk nieuw dier begin ik ’t uitstapje leuker te vinden. Net als ik op het punt sta om te peilen naar ’t doel van onze ‘date’, houdt Tom halt bij een gebouw tussen de jaguars en de leeuwen in. “Wat is dit?”, vraagt hij, en hij loopt richting de deur. “Kweenie”, antwoord ik. “Ik weet dat ’t vroeger de plek was waar de nocturnedieren zaten, vleermuizen en luiaards en zo, maar weet niet of ’t nu nog zo is.” Zijn ogen beginnen te fonkelen. “Laten we er achter komen.”

We trekken de deur open en vangen meteen dierengeluidjes op, al weten we niet exact wat ’t moet voorstellen. Op enkele gedimde lichten na was ’t er volledig donker. Ik grijp instinctief naar Toms hand, want het laatste wat ik wil is in deze onprettige duisternis verdwalen. Hij geeft een kneepje en trekt me verder mee terwijl hij een klein lachje laat horen. “Je bent toch niet bang, hé?”, vraagt hij, en hoewel ik zijn gezicht niet kan zien, weet ik dat er een zelfvoldane grijns op staat.

“Alle redenen om jouw hand vast te nemen, zijn goede redenen, dus als ik dan bang hoef te zijn, absoluut, dan ben ik dat.”

Tom loopt zwijgend verder, tot de weg een draai naar rechts maakt.

“Wauw!”

Plots staan we helemaal alleen naar een gigantisch luiaardsverblijf te staren. De ruimte is zeer voorzichtig verlicht en in verschillende bomen zie ik zo’n lui dier hangen, zonder te verroeren. “Ik hou echt van luiaards”, zegt Tom, en hij kijkt gefascineerd naar het exemplaar ‘t dichtst bij ons. “Wist je dat luiaards maar enkele seconden echt seks hebben?”, vervolgt hij, en hij stoot een lachje uit. “Echt waar. Alles doen ze traag, behalve de paring. Daar verliezen ze écht geen tijd mee.”

“Een beetje zoals jij, dus”, zeg ik, en ik denk daarbij terug aan onze aller, allereerste keer – in amper enkele minuten had hij de klus geklaard, zo gulzig was hij naar zijn orgasme. “Dat was één keer”, zegt hij, met een scheve glimlach. “Verder heb je nooit klachten gehad over mijn derde been.” Ik lach luidop. “Derde been. Kom nou, zeg.” Hij geeft een porretje in mijn zij en schatert wanneer ik daardoor een sprongetje maak. “Jazeker, mijn derde been. Je hebt ‘m toch al gezien. Ik kan ‘m praktisch in mijn nek leggen.” De arrogantie loopt van zijn gezicht.

“O, asjeblieft, ga je gang, probeer maar. Dan kan je eindelijk eens aan iedereen laten zien hoe zeer je uit je nek lult.” Ik schiet meteen in een ondeugende lach, gierend om mijn eigen mopje, maar hou abrupt mijn mond wanneer Tom me plots heel bruut tegen de glazen muur, die ons van de luiaards scheidt, duwt. Zijn ogen boren in de mijne en ik voel zijn adem in mijn gezicht. “Straks maak je de luiaards nog wakker”, fluister ik, maar Tom zegt niets terug, fluistert niets terug, en drukt gewoon zijn mond op de mijne.

Advertenties

Happy Hour

“… En dan, uit ’t niets, greep hij met zijn hand mijn staart vast en trok hij ’t rekkertje los. In één vlotte beweging. Ik kan dat zélf nog niet eens. Ik sta als een onhandig kind aan mijn haar te schudden tot ’t uiteindelijk zelf losbreekt. Maar zo stond-ie daar dan, hé, arrogant te glimlachen met mijn rekkertje in zijn hand. Dan begroef hij zijn gezicht in mijn nek en…”

Mijn gsm trilt voor de derde keer in mijn handtas terwijl Hanne in geuren en kleuren, en iets te luid naar mijn zin, afgaand op de stilte aan de tafel links van ons, over haar laatste wilde seksescapade vertelt. Ze ziet er extatisch uit. Haast orgasmisch. Ik luister beleefd, breng de nodige ‘oh’s en ‘ah’s uit, maar eigenlijk kan het me niets schelen. Ik wil weten wie ’t is die me voor de derde keer in tien minuten probeert te bereiken, en stiekem hoop ik dat ’t Tom is. Tom, die een flauw mopje over de elektriciteit tussen ons in die elektronicawinkel zou maken, en me vervolgens zou voorstellen om een actief uiltje te knappen op zijn appartement.

“… Echt, Loen, zoiets heb ik nog nooit meegemaakt. Zo diep heb ik ’t nog nooit gehad. Je moet ’t ook eens proberen, gewoon, niet de benen in de nek, maar geplooid, en hij die je knieën tegen je kin drukt, en ondertussen echt gewoon verticaal kan glijden…”

“Meiden! Sorry dat ik zo laat ben.”

Olivia gaat op de vrije stoel naast me zitten. Haar wangen zien knalrood en er verschijnen zweetparels achter haar oren. Hanne schuift haar enthousiast haar glas witte wijn toe en grijpt ’t moment van stilte, wanneer Olivia dankbaar een slok neemt, aan om haar diepe avontuur opnieuw van ’t begin af aan te vertellen. Dit is mijn moment.

“Ik ga even naar ‘t toilet”, zeg ik, en ik neem subtiel mijn iPhone uit mijn handtas en duw hem in mijn mouw. Mijn stoel kreunt wanneer ik ‘m achteruit schuif, maar niemand merkt het op – Hanne heeft al snel door dat Olivia een veel beter publiek is dan ik, en verliest zichzelf volledig in de details van haar verhaal. “Ik zweer het je, gewoon met mijn slip nog aan, hé! Hij duwde de fijne stof gewoon opzij, en vond zo een weg naar binnen. Ongelooflijk. Ik kan echt niet verwoorden hoe goed dat voelde. Of wacht. ’t Was iets als…”

Ik duw de zware deur open, leg mijn gsm voor me op de wastafel en richt mijn ogen naar de spiegel. Ik kijk naar mijn haar, dat slordig over mijn schouders valt. Ik neem een lok tussen mijn vingers en bestudeer de puntjes. Gespleten. Ik moet dringend nog eens naar de kapper. Ik slaak een zucht naar mijn geprojecteerde zelf en schuif het ontgrendelbalkje uiteindelijk naar rechts. Drie gemiste oproepen. Wees alsjeblieft Tom.

De eerste naam die ik zie is teleurstellend. Dries. Met tussen haakjes een ‘2’. Er valt een steen in mijn maag als ik aan zijn melancholische woorden terugdenk, toen ik ‘m vorige week ging vertellen dat ’t voor mij genoeg was geweest. Hoe hij zachtjes tegen zijn nog steeds door gips gedomineerde been tikte en zei: “En ik die dacht dat alleen deze breuk me een hard time ging geven”, en hoe hij door die woorden heen lachte, maar ongetwijfeld liever een strak streepje van zijn lippen had gemaakt.

Onder de naam van Dries, staat die van Vincent. Een gemiste oproep van Vincent. Waarom heeft Vincent mij gebeld? Ik bekijk mijn horloge. Half elf. De nacht is al wel aan ’t groeien, maar is ’t niet nog een beetje te vroeg voor Dries om reeds alcoholische sterretjes te zien? Een andere reden voor Vincents telefoontje kan ik niet bedenken – een opmerking, een update, of een vraag met betrekking tot Dries. De laatste keer dat ik ‘m hoorde, was dat namelijk ook alleen maar om me op de hoogte te brengen van Dries’ val. Maar waarom belde hij dan maar één keer? Waarom was er geen voicemail? Geen berichtje?

Mijn stoel zeurt opnieuw als ik hem dichter tegen de tafel aantrek. “Jammer dat Melanie heeft afgezegd, hé?”, zegt Olivia, terwijl Hanne afwezig prutst aan haar nagels. ’t is inderdaad jammer dat ’t vierde zitje aan onze tafel niet gebruikt wordt. Melanie is er normaal altijd bij als we met z’n allen cocktails gaan drinken en de nacht wegroddelen – en ik heb ze d’r ook erg graag bij. Melanie is ’t meest verlegen en ingetogen van ons vier, maar heeft een even bewogen seksleven – alleen heeft zij geen seks om seks, maar seks om liefde. Ze moet alleen een beetje beter leren inschatten bij welke man ’t nu ook om die liefde te doen is, en niet effectief om de seks.

“Vind ik ook. Maar goed, mannen hebben altijd voorrang op eeuwenoude vriendschappen, zo blijkt”, zegt Hanne, waarna ze met een vertrokken gezicht de laatste druppels witte wijn in haar keel laat glijden. “Ik ben benieuwd hoe ’t is op haar date”, zeg ik; een zin in de categorie ‘iets zeggen om iets te zeggen’. In realiteit zoek ik nog steeds naar de reden waarom één van mijn oude stoeiers de weg naar mijn telefoonnummer vond daarnet Ik grijp naar mijn tas terwijl de andere twee lustig speculeren over ’t verloop van Melanies afspraakje. Niets. Geen extra oproep. Alsof ’t niet gebeurd is. Mijn gsm glijdt terug in ’t zijzakje, en net toen ik me had voorgenomen om echt actief deel te nemen aan het gesprek, hoor ik gedempte vibraties. Een telefoontje? Vincent? Mijn arm verdwijnt opnieuw onder tafel. Geen telefoontje. Een sms.

“Je zag er goed uit vrijdag! Zin om er woensdag in mijn gezelschap even ravissant uit te zien?”

“’t Volgende rondje is van mij”, zeg ik enthousiast, en pas dan besef ik dat ik bruusk het onderonsje van Hanne en Olivia heb onderbroken. Gelukkig vergeven vrienden elkaar altijd als er alcohol in ’t spel is. “Geweldig!”, kirt Olivia, en ze grijpt naar de cocktailkaart.

Ik weet reeds wat ik ga drinken. Een long island ice tea. Extra large. Om te vieren dat ’t lekkerste kontje van Vlaanderen terug lekker nonchalant mijn leven is binnengewandeld.

Genomineerd! Stemmen op Lunalovesgood (categorie ‘personal’) mag altijd. Hoeft absoluut niet. Maar mag altijd. #weekendblogawards
Nu terug te vinden op Facebook, maar ook nog steeds op Twitter.

Witte wolkjes en goddelijke kontjes

Telkens ik in een trein zit, probeer ik me, al turend door het raam, te focussen op één punt. Liefst op ’t moment dat de zon al bijna kan proeven van de bomen die fier rechtop staan in de landschappen die mijn trein dan doorkruist. Dan klamp ik me vast aan een wit wolkje en probeer ik de staarwedstrijd, die ik gedoemd ben te verliezen, alsnog te winnen. Het lukt me altijd enkele seconden, maar dan wordt mijn blik gezogen naar een voorbij zoevend huis of een grazende koe. Elke keer opnieuw forceer ik mijn ogen om wederom dat witte wolkje te vergasten op oogcontact, maar elke keer opnieuw wint de grazende koe, wint het voorbij zoevende huis, winnen de bomen.

Ook nu, op het moment dat ik me hopeloos probeer te fixeren op de uitgestalde Samsung Galaxy S5, geven mijn ogen liever de aandacht aan een kontje dat ik herken uit duizend kontjes. Een kontje dat hier helemaal niet hoort te zijn, in dezelfde elektronicawinkel als ik, een elektronicawinkel die ik ook alleen maar binnenstapte om te vluchten van de regen. Een kontje dat ik meermaals fijn knijpte terwijl de eigenaar ervan z’n ballen tegen mijn billen deed ketsen en me vulde tot ’t gewoon niet dieper kon. Had ik maar karakter. Kon ik maar tegen wat nat gemiezer. Nu sta ik hier, oog en oog, met het goddelijke achterste van Tom.

Hij is alleen. Staat de koptelefoons te bestuderen. Vreemd. Ik heb Tom nog nooit interesse weten hebben in koptelefoons. Laat staan muziek. Verder dan de radio ging ’t eigenlijk niet – iets wat ik niet snapte, laat staan snap. Hij ziet er goed uit. Nu ja, Tom ziet er altijd goed uit. Zelfs als hij volledig verward naar koptelefoons staart en uiteindelijk de hulp van een verkoper inschakelt om de ideale koptelefoon te vinden. Aandoenlijk is eigenlijk het juiste woord. Hij ziet er vreselijk aandoenlijk uit, en ik ga zo op in zijn aandoenlijkheid dat ik te laat besef dat er ook koptelefoons in promo naast de smartphonestand staan en dat de vinger van de verkoper nu priemend mijn richting uitwijst.

“Luna?”

Ik glimlach krampachtig terwijl hij de verkoper vriendelijk bedankt voor zijn hulp. Alsof ’t nog niet erg genoeg was dat ik ‘m hier tegenkom, ben ik ook nog eens de oorzaak dat-ie nooit de perfecte koptelefoon zal vinden. “Hey, jij”, zeg ik, beseffend dat het Nederlandse equivalent van “hey, you” nog niet half zo leuk klinkt.

“Wat doe jij hier?”, zegt hij, op een toon van nonchalance – zijn handelsmerk – en al wat ik wil is ’t hemd van zijn lijf scheuren en mijn lippen tegen z’n borst plakken. “Ik vlucht voor de regen”, zeg ik, terwijl ik mijn schouders ophaal. “En jij?” Hij neemt een knaloranje koptelefoon, trekt ‘m een beetje open en plaatst hem op zijn hoofd. “Op zoek naar iets als dit”, zegt hij, en hij wijst naar zijn bedekte oren, alsof ik de link anders nooit zelf had gelegd. “Wat moet je daar nu mee”, zeg ik, en mijn vingers jeuken om zijn gezicht te strelen. “Voor zover ik weet, vind je muziek net zo leuk als ik regen vind.”

Hij haalt ’t lelijke, oranje ding van zijn hoofd en legt ‘t weer op zijn plaats. “Hij is niet voor mij”, zegt hij, en hij ontwijkt mijn ogen. “’t Is… Ik denk eraan om… Ik had ’t idee om…” Hij frunnikt aan de mouwen van zijn pull en blijft struikelen over elk nieuw woord dat hij probeert uit te spreken. “Ik weet ’t nog niet zeker, maar misschien is ’t een leuk, ja, goed, ik weet niet-“

“Tom.” Ik zeg het zacht, misschien zelfs geruststellend, hoewel Toms gestuntel me erg nerveus maakt. “Zeg het maar.”

“Voor haar”, zegt hij uiteindelijk, en hij waagt een poging om me recht aan te kijken. “’t Is een cadeautje voor haar.”

Ik slik. Uiteraard was dat ’t eerste waar ik aan dacht toen ik ‘m zag. Hoe ’t nu zat met zijn meisje. Er gaan wel meerdere dagen voorbij waarop ik er niet aan denk, dagen die zich vullen met lege gedachten en een goedkope fles prosecco, maar ik denk nog vaak terug aan ’t moment dat ik voor ’t laatst een vertrouwde mengeling van z’n aftershave en z’n lichaamsgeur mocht opsnuiven. ’t Moment dat ik me eerst begroef in zijn armen en dan voor altijd los liet. Ik denk er niet aan terug met pijn, noch met teleurstelling; eigenlijk is ’t gewoon een herinnering die soms een wandeling door mijn hersenspinsels maakt zonder daarbij herfstblaadjes te doen opwaaien. Al bleef er één groen blaadje aan de verder volledig uitgedwarrelde boom hangen: de vraag naar haar, wie ze was, waarom ze er was, en of ze er nog lang ging zijn. Een frisse, levendige vraag, die nu beantwoord de dood vond en zich snel bij zijn groengeelrode familie zou voegen, om het voetpad van mijn gedachten nog wat meer van een herfsttapijt te voorzien.

“O, wel, fijn voor je.” De woorden tuimelen goedbedoeld uit mijn mond, maar klinken sarcastisch eens ik ze uitgesproken hoor, wat er toe leidt dat ik nog snel “en dat meen ik echt” eraan toevoeg. Ik besluit mijn oprechtheid kracht bij te zetten door zachtjes mijn hand op zijn hand, dat beschermend gekruist over zijn andere arm lag, te drukken. De aanraking voelt, niet verrassend in een elektronicazaak, elektrisch. Tom lost zijn defensieve houding en mijn hand valt in ’t niets wanneer hij ’t zijne in zijn zak laat verdwijnen. Hij kijkt naar me, in een poging me te doorgronden, maar hij weet ’t evengoed als ik – in mijn ogen zie je niets wat ik niet wil dat je ziet.

“Goed, dan ga ik maar”, zeg ik, en ik glimlach zuinig naar zijn ogen. Ik draai me om en zet één stap, maar bevries op ’t moment dat iets de vrije ruimte rond mijn rechterhand vult. Ik draai mijn hoofd en zie Tom, en wanneer ik met mijn blik van zijn schouders naar zijn hand ga, kom ik uit bij mijn vingers. Zijn duim wrijft zachtjes over mijn duim en even weet ik niet goed waar ik ’t heb. Geen afleiding deze keer. Geen grazende koeien of zoevende huizen. Tom is ’t witte wolkje, althans, zijn ogen zijn twee blauwe wolkjes, en ik heb er allesbehalve moeite mee om me erdoor te laten leiden. Hij duwt zijn duimnagel zachtjes in mijn vel en glijdt er zalig snijdend mee door mijn vel. Ik verroer niet. Kan niet verroeren. Kan alleen maar denken aan zijn scherpe aanraking en hoe ik zijn mond beroeren wil.

Hij lost. Zowel zijn blik, als zijn hand. Een kleine seconde ben ik verward. Is hij verward. Staan we niet in een elektronicawinkel waarin net voor de vijfde keer werd afgeroepen dat de koptelefoons nog tot morgen in promotie zijn. En dan is het voorbij. Hij neemt nogmaals de oranje koptelefoon vast. “Ik wou gewoon weten wat je van deze vond.” ’t Ding is knaloranje aan de oren en oranje-zwart gestreept in de verbinding naar de twee kanten. Het is de lelijkste koptelefoon van alle koptelefoons in promotie, al is geen enkele om over naar huis te schrijven. Maar Tom leek ’t niet te deren. Instinctief wist ik dat hij mijn hand niet vastnam om mijn mening over een of andere koptelefoon te vragen. Hij was sowieso voor de oranje koptelefoon gegaan. Dit was een formaliteit. Een afronding. Een afkoeling. Een manoeuvre om te vergeten.

“Prachtig”, zeg ik. “Ze zal er helemaal weg van zijn.” Ik draai me opnieuw om, zonder gehinderd te worden deze keer, en wandel door de warmtedeur terug naar de straat. ‘t Blinken van de kasseien is ’t enige wat nog deed vermoeden dat ’t nog niet zo lang geleden geregend had. Net zoals de tintelingen in mijn rechterhand ’t enige is wat nog deed vermoeden dat ik zonet een koptelefoon had helpen uitkiezen voor Toms nieuwe vriendin.

Genomineerd! Stemmen op Lunalovesgood (categorie ‘personal’) mag altijd. Hoeft absoluut niet. Maar mag altijd. #weekendblogawards
Nu terug te vinden op Facebook, maar ook nog steeds op Twitter.

Gehad

2006 was een geweldig jaar als het aankomt op muziek. Het jaar dat ‘When you were young’ van The Killers uitkwam. Het jaar dat ik ‘What’s that coming over the hill? Is it a monster? Is it a monster?’ mee kweelde om even aan mijn studieboeken te ontsnappen. Het jaar dat Franz Ferdinand aan Eleanor vroeg om haar botjes opnieuw aan te doen. Het jaar dat de frontman van Radiohead een dijk van een nummer afleverde onder de naam ‘Harrowdown hill’. Een nummer dat niet alleen muzikale perfectie weerspiegelt, maar ook nog eens een verhaal vertelt. Over een man die zelfmoord pleegde. Of vermoord werd. Een spelletje Monopoly van monopolies.

’t Is op het moment dat ik tussen mijn muziekbibliotheek scroll, op zoek naar Thom Yorke, dat het zoveelste sms’je van Dries mijn gsm doet zingen.

2006 is tevens ook het geboortejaar van Placebo’s ‘Song to say goodbye’.

Deze morgen werd ik wakker met drie vingers in mijn lijf, een zware adem en een hand om mijn rechterborst. Mijn eigen hand. Niet Dries’ hand. Hoewel die naast mij lag. En maar gewoon toekeek. In compleet onbegrip van wat er zich juist afspeelde. ’t Was zo’n mooie droom. Zelfs nadat de grens tussen slaap en werkelijkheid zienderogen verdunde, verwaterde en uiteindelijk vervaagde, tintelde mijn lijf nog steeds van genot. Maar toen sloop de zon in mijn ogen en verdwenen alle mooie beelden uit mijn hoofd. Toen verscheen alleen nog maar Dries op mijn netvlies, die zijn knappe gezichtje verward fronste, een keer gromde, en dan enige uitdrukking gewoon van zijn gezicht gomde.

Hij had ’t plan opgevat om zachtgekookte eitjes te maken, maar serveerde uiteindelijk eitjes met een leger eiwit dat langs de barstjes probeerde te ontsnappen en dooiers die allesbehalve gedooid waren. Ik brak de schaal van m’n ei open en even overwoog ik om een flauw mopje te maken, iets à la, hey, Dries, op een schaal – haha – van één tot tien, hoe knorrig ben je?, maar zijn blik zei genoeg. Dries was goed op weg om van ‘kwaad’ een werkwoord te maken. Hij kwaadde zich een weg door ‘t ontbijt.

“Wat? Wat is ‘t? Wat zit je dwars?” Wat dwarst je? had ik bijna gezegd, omdat ’t zo veel mooier klonk in mijn hoofd. Hij nam een slordig gesneden soldaatje, plaatste er een hardgekookt stukje dooier op – van doppen was nu geen sprake meer – en kauwde er allesbehalve per abuis tergend traag op, terwijl hij zich focuste op een punt net boven mijn kruin.

“Dries. Kom nu. ’t Was een droom. Ik had plezier. Mag het?” Het moet, dacht ik erbij, want ik had ’t gehad, gehad met de liefdevolle knuffels, gehad met zijn ingetapete been, gehad met ons non-seksleven, gehad met alle afleveringen van Friends op de hele planeet, gehad met Dries. Ik had ’t gehad.

“Laat vallen”, zei hij uiteindelijk, op een toontje dat allesbehalve suggereerde dat ik ook maar iets mocht laten vallen, zelfs geen veertje dat er best wel wat seconden over zou doen om de grond te raken. Hij wipte zijn linkerbeen nerveus op en neer en bleef stuurs voor zich uit staren.

“Ik heb ’t gehad”, zei ik, en ik schoof kalm mijn stoel achteruit, raapte m’n spullen samen, schoof mijn voeten in mijn versleten bruine pumps en deed niet eens de moeite om de voordeur achter me te sluiten. Dries volgde niet. Dries bleef op die stoel zitten. Met z’n soldaatjes op z’n bord. Hij was vast nog steeds met z’n been aan het wippen, de zwaartekracht tartend, op het moment dat ik in mijn eigen douche stapte en mijn onderbroken werk van die morgen verderzette, tot mijn knieën knikten en ’t water in mijn open mond stroomde.

Eerlijk gezegd begrijp ik mezelf niet meer. Nee, echt. Dagen loop ik te treuren om de afwezigheid van Dries in m’n leven. Komt-ie er terug in, mis ik ’t om hem te missen. Ik masseer mijn slapen terwijl Yorke alle moeilijke vragen voor mij beantwoordt: don’t ask me, ask the ministry. ’t Begon allemaal wel goed, ’t moet gezegd. Dagen onder kleine blauwe lakentjes, met stiekem lauw wordende pintjes en zachte vingers rond mijn oren, rond mijn mond, rond mijn lippen, en zelfs op mijn andere plekjes, maar, en, hoe oppervlakkig ’t me ook maakt, ook dagen zonder seks. Aanvankelijk probeerden we nog, maar Dries conformeerde zich zo snel aan de luie bankhangdates. Aan de afhaalpizza’s. Aan de lieve woordjes voor ’t slapengaan. En ik, ik rebelleerde. Ik rebelleerde tegen de zoete zinnen en ’t schuren van een gips tegen mijn billen. Ik snakte naar stoute lettergrepen en een nummertje tegen de muur.

Dit liefde-ding, ik doe ’t niet goed. Ik kan ’t niet. Ik wil ’t niet. ik heb ’t gehad.

Mijn gsm zingt opnieuw, en houdt deze keer niet op na één biepje. Hij belt. Ik neem niet op. Mijn gsm stopt. Trilt dan opnieuw. Voicemail. Ik luister vaag. De woorden dansen rond mijn rechteroor. “Luna”, “kom terug”, “praten”, “fout”, “serieus”.

Ik draai mijn iPhone om en staar naar mijn hoesje. It’s hard to be me. Cadeautje van m’n mama, een ‘souvenirtje’, zeg maar, toen ze na twee weken Spanje opnieuw Belgische oorden opzocht. Ik snapte ’t niet, toen ze het me gaf. Voelde me zelfs een beetje beledigd. Maar nu mijn telefoon nog maar eens vibreert en ik nog maar eens de standaard beltoon van Apple door mijn keuken hoor galmen, begin ik ’t een beetje te begrijpen. Ik laat mijn gsm zijn lied zingen tot de laatste noten uitsterven. Geen extra biepje deze keer. Geen voicemail. Alleen een vage herinnering aan een nummer dat zonet nog de ruimte vulde. Een lied dat op dit moment, zelfs met zijn neutrale tonen, meer zei dan de boodschap van Thom Yorkes Harrowdown Hill. Een song to say goodbye.

My oh my.

Genomineerd! Stemmen op Lunalovesgood (categorie ‘personal’) mag altijd. Hoeft absoluut niet. Maar mag altijd. #weekendblogawards
Nu terug te vinden op Facebook, maar ook nog steeds op Twitter.

Genomineerd!

Ik ben genomineerd!

Niet voor een Ice Bucket Challenge! Niet voor ‘de beste drie momenten van mijn dag’ gedurende drie dagen! Niet voor een top tien van mijn favoriete games! Niet voor een top tien van mijn favoriete boeken! (Oké, dit is een leugen, daar ben ik wel voor genomineerd, en ik ben er mee bezig, Stefaan, echt, ik ben er mee bezig, ik ben ermee bezig. Echt. On it.)

Nee!

Ik ben genomineerd voor de blog awards van Knack!

Om dit nog even te bewijzen, hieronder een fotootje, mij toegestuurd door Knack, om één en ander te duiden:

blogawards_2014_nominee_transparant

Nominee! Nominee! Nominee! Nominée! (zoals de Fransen het zouden zeggen)

Ik heb geen idee hoe ik in godsnaam tussen dat lijstje van ‘personal blogs’ ben geraakt, en ik ben er zelf nog niet uit of ik het wel echt verdien (zo zijn er anderen die het misschien meer verdienen dan ik, waaronder Anke Wauters) (ja, ik mag reclame maken voor andere blogs, ik ben genomineerd, in mijn ogen mag ik nu álles). Desalniettemin ben ik echt heel erg blij. Dolblij, zelfs. Ik wil al mijn lezers stuk voor stuk bedanken, ik weet misschien niet wie jullie allemaal zijn, maar jullie weten wel wie ik ben, deels, dus, ja, nee, ik weet eigenlijk niet goed waar ik heen wil met deze zin.

Ik leg nu de laatste hand, niet aan mijzelf, zoals zo vaak, maar aan mijn nieuwe blogbericht – dat verschijnt sowieso vandaag of morgenvroeg online. Wees erbij. Lees het. Laat van je horen.

En STEM, natuurlijk! Ik weet niet goed hoe heel dit promotiegedoe werkt, maar, stem op me, alsjeblieft! Klik hier, ja, hier, hier ja en vind me tussen de ‘personal blogs’. Nu ja goed, stem op mij, of stem op een andere genomineerde, want mijn concurrentie is duchtig én terecht. Stem op de persoon die je blij maakt. Als ik dat ben, des te beter. Ben ik het niet, toch bedankt om het te overwegen!

Ik moet dit gehele promotieding toch nog een beetje onder de knie krijgen, denk ik.

In ieder geval. Bedankt. Om te stemmen, te lezen, of gewoon, om jezelf te zijn. Bedankt!

Liefs

Luna

Gipsworstelen

Ooit werd ik langs achter genomen op een vuile, oude, stoffige sofa in een scoutslokaal terwijl mijn ogen zich bleven fixeren op de dode muis in de hoek, als een stilleven, vergezeld van drie platgestampte blikjes Cara pils en een eenzame beschimmelde bitterbal. Uiteindelijk was ik zelfs genoodzaakt om ook deel uit te maken van dat armtierige landschap, toen er op de deur geklopt werd en mijn toenmalige vriendje niet snel genoeg zijn paal uit mijn lijf kon trekken. Dan was er ook nog die ene keer dat ik in een lege treinwagon een oude vlam aan ’t pijpen was en we zo op(en neer)gingen in het moment dat we amper de treinbegeleider binnen zagen komen, waarop ik zonder een woord te zeggen mijn kaartje liet controleren omdat ik anders sperma in zijn gezicht had gespuwd. In hetzelfde rijtje kan ik mijn avontuurtje in de strandcabine van mijn grootmoeder plaatsen, waar ik mezelf echt ontpopte als amazonegodin, maar wel wekenlang gehavende knieën had van de restjes zand die continu tegen mijn bovenbenen schuurden.

Ik zou het ook nog kunnen hebben over die keer dat ik in een toilet heel dringend op zoek was naar een muur om mijn evenwicht te herstellen, maar in plaats daarvan naar de wc-rol greep en zo dus een hele resem papiertjes naar beneden trok alsook mijzelf én mijn hitsige mannelijke compagnie. Om eerlijk te zijn, zou ik het nog over erg veel dingen kunnen hebben. Maar dit zijn de enige verhalen die in me opkomen terwijl ik probeer uit te dokteren hoe ik in godsnaam seks moet hebben met een man wiens rechterbeen in de gips zit.

Het is niet gewoon zijn voet die omringd wordt door een witte stevige brij – Dries zit praktisch tot aan zijn knie in de gips. ‘Lelijk gevallen’, lachte hij verontschuldigend, toen hij enkele minuten nadat ik aanbelde eindelijk aan de deur geraakte om me binnen te laten. Na drie dagen nadenken over een geschikt berichtje, besliste ik dat ik best gewoon even langs kon gaan. Het is dan ook indirect mijn fout dat Dries zijn been heeft gebroken. Het minste wat ik kon doen, was op ziekenbezoek gaan.

Mijn ogen scanden direct de ruimte, mijn oren zochten naar het geluid van zware voetstappen, mijn neus bestudeerde nerveus de in de lucht hangende geur, op zoek naar een snuifje Vincent. Maar hij was er niet. “Hij is er niet”, zei Dries dan ook luidop, en ik voelde me betrapt. Dries hinkte terug naar de zetel en klopte op de ruimte naast hem die vrij was. “O, wacht”, zei hij plots, en liet zijn hand over de vrije plek zweven, alsof hij die toch nog even bezet wou houden. “Neem anders eerst twee biertjes uit de koelkast. Als je dat zou willen doen.” Uiteindelijk nestelde ik me naast hem, met twee pinten, en trok Dries een grimas terwijl hij zijn zware been omhoog probeerde te heffen en vervolgens op mijn schoot liet neervallen. Hij glimlachte verontschuldigend, alweer. “Vind je het erg? Zo is ’t comfortabeler voor mij, en hoeven we toch niet ver uit elkaar te zitten.” Eerlijk is eerlijk, niets is onaantrekkelijker dan een hoop gips die al na drie seconden begint door te wegen op je benen, maar Dries keek erg lief, en ik wou ook lief zijn, en dus liet ik het maar getijen.

Ook toen hij mijn pintje op tafel zette, mijn nu vrije hand nam en het om zijn gezicht legde, liet ik ‘m zijn gang gaan. Ik voelde kleine stoppeltjes; hij had zich vast die morgen nog geschoren en kampte nu al met zwarte puntjes op zijn jukbeenderen. Uiteindelijk kuste hij de palm van mijn hand, iets wat ik nog nooit eerder had meegemaakt, iets wat kietelde, maar wel fijn was, en nu, op dit eigenste moment, probeer ik mezelf een weg rond zijn gips te worstelen en mijn benen rond zijn middel te klemmen zonder daarbij uit de zetel te vallen of het bier op het tafeltje vlakbij in een zee van gist te doen veranderen. Niet op het parket. Dat zou een boeltje zijn. Geen bier op het parket. Belangrijk.

Dries heeft mijn borsten met zijn beide handen reeds vast als twee goedgevulde schoteltjes, maar ik kan me niet concentreren op de prikkels die zijn vingers me geven. Ik moet me eerst even focussen op de broekknop. “Wacht, laat mij.” Dries verplaatst behendig zijn handen van mijn boezem naar zijn broek en probeert zich een beetje te rechten, al veroorzaakt dit een pijnlijke trek in zijn gezicht. “Kan je even…” Hij gebaart naar zijn losse broek en ik snap wat hij bedoelt. Ik duw mezelf recht en trek zijn broek uit. Ik probeer heel voorzichtig de gips door zijn broekspijp te laten glijden, maar Dries’ opgespannen armen vertellen me hoe gevoelig het alsnog is. “Kom nu hier”, zegt hij, en hij trekt me dichter. Ik ga terug op ‘m zitten en breng mijn lippen naar zijn prille stoppels en vind zo uiteindelijk de weg naar zijn lippen. Alles is plots zoveel lekkerder als voorheen. Dries grijpt mijn haar vast en trekt een beetje, iets waar ik helemaal wild van word, en ik begin erg zwaar te ademen. Ik laat me wat zakken, duw mijn borsten tegen zijn T-shirt aan en besef dat die barrière van stof moet verdwijnen. Ik wil zijn gloeiende huid voelen en ik wil dat zijn warme borst mijn tepels verschroeit. En dan doe ik ‘t. Dan wil ik mijn grip op zijn heupen wat verbeteren en duw ik mijn linkerbeen bruusk tegen zijn rechterknie aan. Waarop Dries het uitgilt. En ik niets anders kan doen dan een hele reeks sorry’s prevelen.

“Sorry, sorry, sorry, sorry”, zeg ik, terwijl ik zo voorzichtig mogelijk opnieuw probeer recht te staan om zijn pijn en frustratie alle ruimte te geven. “God, Dries, sorry, ik had voorzichtiger moeten zijn.” Dries zegt even niets en heeft beide armen om zijn rechterbeen gelegd, iets wat volgens mij niet erg veel uithaalt, maar vast psychologisch wel ’t idee geeft dat ’t helpt. Hij sluit enkele seconden zijn ogen, haalt dan diep adem en gaat recht zitten. Hij klopt opnieuw op het zitje naast hem. “Kom. Zit.” Als een gehoorzaam schoothondje wandel ik voorzichtig terug richting zetel en laat ik mijn billen zakken in het leder. Hij slaat zijn arm om me heen en ik rust mijn hoofd op zijn schouder. “Dat deed echt belachelijk veel pijn”, zegt hij, maar hij lacht, en geeft een kus boven mijn oor.

“Het spijt me echt.”

Hij draait krulletjes in mijn haar terwijl hij opnieuw een klein lachje laat horen. “Jij kan er niet aan doen dat je compleet je hoofd verliest vanaf je beseft dat er een sekspartijtje zit aan te komen, Loen. Voorzichtigheid is niet je sterkste kant.” Moet ik om lachen. Deels omdat ’t volledig de waarheid is, deels omdat hij ’t ook echt weet. Dries kent me al een beetje, en ik voel dat ik ’t oké vind, dat hij de kantjes van mij die ik ’t liefst in de schaduw laat stilletjes aan opnieuw in de zon trekt. Ik grijp naar onze ondertussen lauw geworden biertjes en reik hem ’t zijne aan. “Een aflevering Friends dan maar?”, zeg ik, en Dries zegt niets, maar knikt goedkeurend met zijn hoofd. “Als ik braaf ben, krijg ik dan op zijn minst enkele wrijfjes door mijn broek heen?”, fluistert hij uiteindelijk in mijn oor, als ik zijn laptop voor onze neus op het kleine tafeltje heb gezet. Ik trippel met mijn vingers van zijn buik naar zijn dijbeen, maar glijd dan met mijn hand opnieuw naar zijn gezicht.

“Wie weet”, zeg ik, “misschien zet ik straks wel eens mijn beste beentje voor. Als ’t je in ’t vervolg op de been houdt, tenminste.” Dries kijkt geamuseerd en begraaft vervolgens zijn hoofd in mijn haar. De ruimte vult zich met I’ll be there for you’s, een lachband, en een warm gevoel dat opstijgt uit mijn borst.

Aha-erlebnis

Ik trappel met mijn handen op ’t stuur en kijk ongeduldig naar de lange rij auto’s waarvan het einde nog lang niet in zicht is. Ik wist dit. Natuurlijk wist ik dit. Het uur op mijn dashboard bevestigde het: kwart na zes. Avondspits. Ik was nog niet eens uit Brussel. Na nog enkele honderden meters te slabakken sta ik nu echt gewoon stil. Ik zucht, draai de motor af, trek de handrem op – alles gebeurt op automatische piloot, wat ik dan weer een grappige uitdrukking vind, automatische piloot, om handelingen in de auto te beschrijven. Ik ben een chauffeur. Geen piloot.

Mijn auto stinkt. Hij ruikt naar een kleine onverluchte slaapkamer waarin zonet drie of vier kerels in hebben geslapen. Een slaapgeur die je neus op een onprettige manier penetreert, gemengd met enkele zweempjes zweet en een hint van alcohol. Dat is exact waar mijn auto nu naar ruikt – het klopt tot in de puntjes, vast omdat het ook gewoon de waarheid is. Mijn wagen ruikt naar vervlogen mojito. Zelfs nadat ik deze middag wakker werd en de ramen een beetje naar beneden had gedraaid toen ik wat eten ging halen, bleef de geur present, als een parfum die diep in mijn zetels gekropen was – op dezelfde manier dat een nieuwe auto nog maandenlang naar ‘nieuw’ ruikt. Mojit’eau de toilette.

Het bericht stond nu al enkele uren ongeopend in mijn gsm. Ik kon perfect lezen wat er juist in werd gezegd, maar vertikte het om ’t te openen. Alsof het zo gemakkelijk was. Eén sms’je, en de kous is af.

Ik weet niet goed hoe het komt, en of het enigszins mogelijk is en dus niet volledig in mijn hoofd zit, maar een nachtje doorbrengen in een ondergrondse parking op de krappe achterbank van je auto levert bepaalde epifanieën op. Moest iemand het me vragen, zou ik echter nooit ontkennen dat enkele muntgodendrankjes aan de basis van deze aha-erlebnissen lagen. De weg terug naar mijn auto was alleszins wazig. Dries heeft nog getracht me een lift te geven met zijn fiets, maar die kon zelf amper nog wandelen, laat staan fietsen. Zijn overstap van biertjes naar gin tonics is me volledig ontglipt, en ik kan me ook niet herinneren wat ons deed gieren van het lachen tot aan het moment dat de barman ons kwam vertellen dat ze gingen sluiten – al wat ik weet is dat we ’t deden, lachen, lachen tot de vroege uurtjes, lachen met elkaar, om elkaar, door elkaar. Dries en ik zaten gevangen in elkaars lachsalvo’s- en salto’s en we kwamen pas terug op onze voetjes terecht toen onze trampoline ons abrupt deed ophouden met springen om het bordje met ‘open’ om te draaien naar ‘gesloten’. Hij fietste naar huis. Ik vleide mijn hoofd neer op mijn stoffen autozetels. Ik had het gevoel alsof ik nog steeds op de trampoline lag en nog steeds stilletjes op en neer veerde, dichter bij de sterren, verder van de sterren – alleen zag ik geen sterren, maar wel het achterbanklichtje in het dak van mijn wagen. Mijn hoofd tolde, en om de drie seconden vergat ik waar ik was, en dan besefte ik het weer, en dacht ik weer aan trampolines, om dan opnieuw bij het achterbanklichtje uit te komen. Het geheugen van een goudvis, dat was wat ik nu plots had, en was ik zelf ook niet gewoon een goudvis, die gevangen zat in zijn kom en in rondjes draaide – hetzij fysiek, hetzij mentaal?

Elk moment dat ik op de grens van die drie seconden kwam, nadat ik besefte dat de sterren het lichtje waren, maar vooraleer ik me alweer waande op een trampoline, kreeg ik dat eurekamoment, die epifanie, werd ik overvallen door een enorme waarheid die me helemaal inpakte en me beroofde van mijn adem. Ik dacht aan Vincent, ik dacht aan zijn Tine, ik dacht aan hem, aan mij, aan ons, aan het korte wij dat er was, en ik zag een potje vol schrijfgerief dat vlak achter een laptop stond, een laptop die naar achteren werd geduwd, een potje dat op de grond kletterde, een kakofonie aan pennen, fluostiften, alcoholstiften, potloden die de vloer kleurde. Ik zag iemand het potje oprapen en alle losse stiftjes er terug proberen insteken, maar ’t lukte niet, ‘t potje was plots te klein, of de stylo’s te groot, en schreef deze wel nog, en deze fluostift was al een tijdje zijn hoofd kwijt, zijn dop. Plots paste de inhoud niet meer in het potje, of schikte het potje zich niet langer naar de benodigdheden van de inhoud. Als zo’n potje valt, dan slaat je hart een tel over, dan springen je ogen uit je oogkassen, dan ben je verlamd na die bliksemschicht die eerst door je vingers schiet en zich daarna een weg baant naar je ruggenwervels om te eindigen in een ijskoude rilling. Het geluid doet je trommelvliezen ploffen. Het geluid vertaalt zich naar woorden die je liefst meteen weer vergeet, maar je toch dwingen een mojito te bestellen. De woorden kletteren op de grond en spatten uit elkaar in je hoofd. Maar ze vielen. De woorden vielen. ‘t Potje viel. Maar ’t moest vallen. ’t Potje moest vallen. Hoe wist je anders dat ’t potje toe was aan een herschikking? Hoe wist je anders dat je de woorden moest klasseren als een verre herinnering, een herinnering die je niet langer te binnen schiet, die je doet knippen met je vingers en je krampachtig naar de lucht doet staren, want, god, wat was dat nou weer, ik weet ‘t, ’t ligt op het puntje van mijn tong, echt, ik zie het zó voor me – maar dan klinkt een bulderlach, een goed nummer, een nieuwe gedachte, een ongeduldige magnetron, een ongeduldige gast op een onverwachte visite. Hoe wist je anders dat je de woorden evengoed kon achterlaten bij de restjes rietsuiker in ’t cocktailglas. Hoe wist je anders dat je de woorden perfect kon laten absorberen door de ter versiering dienende citroen op het randje van het tonicglas. Hoe wist je anders dat je ’t geluid van ’t kletterend vallende potje kon breken op een tapijt van nonchalance.

Die aha-erlebnis leek telkens een eeuw te duren, maar kwam gewoon in de vorm van een nanoseconde kippenvel, een flits van luciditeit. Dan was het achterbanklichtje er terug. Tot ook dat lichtje verdween, vervaagde van mijn netvlies, tot alleen de duisternis overbleef met af en toe een spikkel kleur – om toch die vering van de trampoline niet te vergeten.

Ik werd wakker rond de middag met een bonzende kop, een ongelezen sms en een stinkende auto. Een kop die nog steeds bonkt. Een sms die nog steeds ongelezen is. En een auto die nog steeds stinkt als de pest.

Twintig na zes. Vijf minuten mijmeren stond gelijk aan nul meter vooruitgang. Er moest wel iets gebeurd zijn. Ik stuurde best al even een sms naar Hanne dat ik de eerste cocktail, die om zeven uur gepland stond in onze vaste cocktailbar in Antwerpen, niet meer zou halen. Met één oog op de baan, want je wist maar nooit dat alles hier plots in gang zou schieten, viste ik mijn gsm uit mij handtas, en het was zo’n moment dat je meer dan eens meemaakt maar waarvan niemand ooit onder de indruk is als je het probeert te vertellen: net op dat moment kreeg ik zelf een bericht van Hanne, waarin stond dat ze haar best deed om er ten laatste om half acht te zijn. Ik haalde mijn schouders op, ik wist niet goed voor wie – Hanne kon ’t niet zien en wist dus ook niet dat ik “is niets, komt me alleen maar goed uit” wou zeggen. Ik typ snel die woorden in een sms’je terug en sta op het punt om mijn iPhone weer in mijn tas te mikken, als het plots opnieuw vibreert in mijn hand. Hanne? Dat zou erg snel zijn. Niet Hanne. Vincent. Die me nu dus voor de tweede keer vandaag virtueel lastig valt. Maar die deze keer wel iets nuttigs te zeggen had. Iets waar ik wel op zou moéten terugsturen.

11u32: Dries vertrekt binnen enkele dagen op zakenreis. Er is dus niemand thuis. Behalve ik. Wat denk je?

18u22: Goed, schrap dat maar. Vond hem zonet in de zetel. Zakenreis gaat niet door. Gisteren blijkbaar met zijn zatte kloten op de fiets gekropen en zijn rechterbeen gebroken. Gaat de vergaderingen via Skype bijwonen. Vanuit ons huis, dus. Kut. Andere keer?