Pillow talk

Een enkele zonnestraal werkt zich een weg door mijn gordijnen en valt recht op mijn gezicht. Ik weet nog hoe leuk ik ’t vroeger vond om wakker te worden met zonlicht. Met de belofte van een mooie dag. Nu voel ik me er alleen maar slecht door – zon in mijn gezicht betekent dat het laat genoeg is om de zonsopgang gemist te hebben. Nog maar eens een verspilde voormiddag, zonder werk om handen. Ik zucht en draai mijn gezicht naar Tom toe, die zich van geen zonnestraal bewust is. Als ik naar zijn dichte ogen kijk, vraag ik me voor de zoveelste keer in minder dan vierentwintig uur af of wat we aan het doen zijn, niet compleet nutteloos is. Nutteloos en verkeerd. Maar dan begint mijn hand te jeuken om de haren die voor zijn voorhoofd gevallen zijn, terug achteruit te strijken.

Net als ik op het punt sta om ’t effectief te doen, opent hij zijn ogen. Op momenten als dit ben ik er rotsvast van overtuigd dat slapende mensen ’t voelen wanneer iemand naar hen kijkt. Dat een gefixeerde, wakkere blik als koffie is voor slapende oogleden.

“Hey”, zegt hij met een glimlach, en hij trekt me dichter. Ik kruip in zijn armen en hij streelt zachtjes over mijn rug. Vroeger betekende dit alles dat ik maximum twee minuten later mijn nagels in zijn vel zou zetten en met mijn tong zijn eikel zou verwennen, behendig achtjes draaiend, tegelijkertijd zijn ballen strelend. Vroeger waren onze knuffels puur voor de vorm; een kort voorspel, een toneel van een ander soort intimiteit alvorens over te gaan op hetgeen we echt wouden van elkaar: een ruwe, harde passie, gevolgd door een intense bevrediging van onze meest dierlijke behoeften. Nu laat hij zijn arm lui liggen op mijn zij, en soest hij nog een beetje verder.

Ik houd ervan. Ik houd van onze nieuwe intimiteit. Onze échte intimiteit. Ik houd van zijn oprechte interesse in mijn dag, in mijn leven. Ik houd van de manier waarop hij nu om me geeft. Maar ik haat het ook. Ik haat hoe ik niet weet of ik een gemakkelijke substituut ben, een tweede keuze, een handig back-up plan. Ik haat hoe ik, bij elk lief gebaar dat hij maakt, me afvraag of hij het wel echt meent. Ik haat hoe ik sinds gisteren de woorden van Olivia niet uit mijn hoofd krijg. En ik haat hoe ik de stem van Hanne, een stem die ik al weken niet meer heb gehoord, toch hoor in mijn achterhoofd: Veeg die stomme glimlach van je gezicht. Naïeve hoop staat je niet. 

Hij komt met zijn gezicht dichter bij ’t mijne en zoekt mijn lippen. Hij drukt zijn mond op de mijne, maar ik reageer niet. Zijn warme aanraking geeft me duizend vlinders, maar ik slik ze terug in.

“Wat is er? Is ’t mijn ochtendadem?”

Hij ademt een keer in zijn eigen hand en probeert zo zijn eigen adem te ruiken. “Shit”, lacht hij, en hij trekt een lelijk gezicht. “Oké, goed. Niet kussen zonder frisse adem. Genoteerd”, zegt hij, en geeft een zachte kus op mijn wang in de plaats.

“Loen. Alles oké?” Hij gaat steunen op een ellenboog en kijkt nu van bovenaf op me neer. “Je bent verdacht stil. Niet alleen nu – gisteravond ook al. Is er iets?”

“Nee”, zeg ik. Ja, denk ik.

Tom fronst zijn wenkbrauwen. “Was het mijn spaghetti?”

Ik onderdruk een giechel. “Nee. Je spaghetti was heerlijk, zoals altijd.”

“Oké…” Hij legt zijn hand op zijn kin en doet alsof hij erg hard aan het nadenken is. “Was het mijn scheet tijdens het eten van de spaghetti?”

Nu moet ik luidop lachen. “Nee. Al was die wel echt walgelijk.”

Hij lacht ook, en begint weer zachtjes over mijn rug te strelen. “Wat is er dan? Er is iets. Ik ken je. Er is iets.”

Even twijfel ik om mijn twijfels aan te snijden, maar zijn streling voelt zo goed. Zo teder. Zo oprecht. Ik zie hoe hij afwachtend in mijn ogen tuurt en beslis dat ik zijn blik liever beantwoord met een glimlach en een kus dan met een zwaar gesprek. Althans, op dit moment.

“Er is niets”, zeg ik, met een glimlach, en ik plant mijn lippen lui op de zijne. “Gewoon nog een beetje slaperig, dat is alles.” Ik leg mijn hoofd op zijn borst en druk hem stevig tegen me aan. “Oké, ik geloof je”, zegt hij, en hij wrijft zachtjes door mijn haar. “Zolang je maar weet dat je me alles kan vertellen.”

Heel even denk ik aan Ben en aan Olivia’s acte de présence. Er zijn zo veel waarheden waar Tom recht op heeft, maar waarvan ik niet weet hoe ze te bekennen. Waarheden die ik amper met iemand heb kunnen delen, eigenlijk. Olivia had gelijk. Ik heb nog met niemand deftig over deze hele situatie kunnen praten. Ik sluit mijn ogen en voel Toms hartslag vertragen en zijn hand bevriezen op mijn hoofd. Net als ik op het punt sta om opnieuw in slaap te vallen, besef ik dat ik iemand nodig heb. Iemand die me zal zeggen waar ’t op staat, zonder me te veroordelen. Of toch niet heus.

Hanne.

Ik heb Hanne nodig.

Advertenties

Plottwist

Een zachte kreun klinkt uit mijn mond wanneer hij ruw mijn haar naar achter trekt. Ik sluit mijn ogen en voel hoe de kracht van zijn hand pijnscheuten door mijn lijf stuurt – en hoe graag ik ’t heb. Hij verzwakt zijn greep en begraaft zijn gezicht in mijn borsten. Met zijn tong glijdt hij speels van de ene tepel naar de andere. “Niet stoppen”, hijg ik, terwijl ik mijn nagels in zijn rug zet. Met mijn hielen duw ik zijn lichaam dichter bij ’t mijne – zijn eikel raakt nu de binnenkant van mijn dij, een aanraking die mij onmiddellijk doet verlangen naar gestoot. “Oké. Stoppen”, zeg ik deze keer, en ik duw hem recht. Ik zet mezelf af met mijn handen zodat ik nu recht voor hem zit. Hij lacht. “Je ogen”, zegt hij, en hij brengt zijn hand naar mijn gezicht.

“Hm? Wat?”

Mijn stem klinkt schor en iets of wat geïrriteerd – ik wil niet praten. Ik wil seks.

“Je ogen”, herhaalt hij, zonder mijn gezicht los te laten. “’t Zijn je ogen die me altijd exact laten weten hoe geil je bent.” Zijn vingers verschuiven van mijn gezicht naar mijn hals, en na enkele zachte stapjes, waarbij hij amper mijn huid aanraakt, belandt hij opnieuw bij mijn borsten. Zonder één seconde zijn ogen van de mijne te lossen, knijpt hij mijn rechtertepel fijn. “Hoe geil ben ik nu dan”, vraag ik wazig, terwijl mijn rechterhand speelt met zijn penis. Hij lacht nog eens en duwt me dan opnieuw op mijn rug. “Het antwoord op die vraag vereist een gedetailleerde beschrijving die dan nog steeds de kracht van je ogen teniet zou doen”, zegt hij, en hij laat zacht maar kordaat een vinger bij me naar binnen glijden. “Woorden zouden ’t alleen maar onrecht aandoen”, besluit hij, terwijl zijn krullende beweging me zelf doet krullen van genot.

“Stop dan met woorden”, hijg ik, en ik omhels zijn onderrug opnieuw met mijn benen. “Meer daden.”

Hij trekt speels zijn wenkbrauwen op en grijpt dan met beide armen mijn bovenbenen vast. Net voor hij op me gaat liggen, besef ik wat ik echt wil. “Nee”, zeg ik, en ik duw hem opnieuw recht. “In de nek. Eerst mijn benen in je nek.” Ik zie de opwinding flikkeren in zijn ogen en in één behendige beweging leg ik mijn benen op zijn schouders.

“Nu.”

Mijn bed kraakt meteen na de eerste krachtige stoot. Ik slaak een luide zucht en sluit mijn ogen terwijl mijn rechterhand verdwaalt naar mijn borsten. Ik knijp erin bij elke nieuwe beweging. Volgens het ritme. Ons ritme. Na enkele seconden voel ik zijn warme hand op ’t mijne. “Harder”, eis ik, terwijl ik mijn eigen hand laat wegglijden. Ik knijp de lakens fijn en voel hoe intens hij mijn borsten masseert en steeds zo diep mogelijk in mij wegzinkt. “Jezus”, zegt hij, en hij gaat sneller. “Harder”, zeg ik opnieuw, en ik zet mijn nagels opnieuw in zijn vel. “Dieper. Sneller.” Ik adem zwaar. “Meer.”

Een geluid. Hij stopt abrupt en volgt mijn blik naar mijn nachtkastje. Mijn telefoon. Hij gaat. Uiteraard. Alleen slimme mensen zetten die op stil, anticiperend op seks. Als ik honderd euro kreeg voor elke keer dat dat rotding een moment verpest, dan woonde ik verdomme in Brasschaat, bedenk ik me plots. “Ga je opnemen?”, vraagt hij, niet goed wetend wat hij moet doen – verder spelen, of even pauzeren? Duizend vloekwoorden zwermen als hyperactieve bijen rond mijn hoofd. “Laat me even zien wie het is”, zeg ik, en ik ga voorzichtig recht zitten. Op het moment dat zijn rug gefrustreerd mijn lakens raakt, neem ik op.

“Hoi”, zeg ik, en ik probeer mijn ademhaling onder controle te krijgen.

“Schat! Hey.” Mijn maag draait zich om bij het horen van het liefkozende woord – zowel van verliefdheid, als van pure, irrationele angst. “Ik belde je maar even om te vragen hoe alles is gegaan vandaag. Heb je ‘t gehaald?”

“Ik weet het nog niet”, zeg ik waarheidsgetrouw – ik ging pas binnen een dikke week weten of ik als stagiaire zou worden aangenomen. “We zullen wel zien.”

“Nou, ik hoop alvast dat ’t allemaal goed uitdraait. Ik weet hoe graag je daar wil werken. Zeg, stoor ik? Je klinkt buiten adem. Heb ik je gebeld terwijl je aan het joggen was?”

“Eh, ja”, lieg ik, al is seks een zekere vorm van joggen – gewoon eerder horizontaal. “Inderdaad, ik was even de stress van deze morgen eruit gaan lopen. Maar ik was bijna klaar, dus je stoort niet.” Ook een leugen.

“Oh. Nou. In ieder geval, ik wou gewoon even een update. Ik zie je morgen wel. Bij jou, hé?”

“Mmm”, hum ik instemmend, me plots erg bewust van de veroordelende blik van de man in mijn bed. “Ik sms je nog wel. Tot morgen, Tom, eh, schat.”

Hij haakt in en ik leg mijn gsm opnieuw op de nachttafel. “Zo”, zegt Ben, steunend op één ellenboog. “Ik wist niet dat je een liefdesfaçade aan ’t ophouden was tijdens onze neuksessies.”

“Zegt dan de man die nu al een dikke drie maand zijn vriendin bedriegt”, repliceer ik, en ik draai mijn haar snel in een dot die ik slordig vastbind met het rekkertje dat ik standaard om mijn pols gebonden heb. “Dat is anders, en dat weet je”, antwoordt hij, terwijl hij me opnieuw dichter naar hem toe trekt. “Mijn vriendin zit al een halfjaar koala’s te observeren in fucking Australië. Ik ben er bijna honderd procent zeker van dat zij daar ook al wel ondersteboven is gedraaid door één of andere gebruinde, blonde lokale adonis met een lelijk accent.” Hij draait met zijn wijsvinger cirkeltjes op mijn bovenbeen. “Jij ligt met je benen in mijn nek terwijl je hem morgen ziet. Hoe verklaar je dat?”

Ik staar afwezig naar mijn deur en leg mezelf naast hem neer terwijl ik nadenk over wat hij zegt. Ik had een verklaring, een die ik in vier woorden al gezegd kon hebben, maar hij zou het niet begrijpen. Hij zou doorvragen, en ik had geen zin om alles uit te leggen. Hij zou geen genoegen nemen met: om mezelf te beschermen. En ik zou geen genoegen nemen met zijn protesteren.

“Wat maakt het uit?” Reageer ik, en ik duw mijn voeten tegen de zijne. “Ik oordeel niet over jou. Wat geeft jou dan het recht om te oordelen over mij?”

Hij haalt zijn schouders op. “Goed punt”, zegt hij uiteindelijk, en hij slaat zijn arm om me heen. “Wat dacht je ervan om opnieuw minder te praten, en meer te doen?”

Hij duwt enkele haren uit mijn nek en plant harde kussen in mijn hals. “Van zo’n voorstel denk ik alleen maar goede dingen”, antwoord ik, en ik wrijf met mijn hand door zijn haar. Hij vindt mijn mond en kust me zo krachtig dat ik ademen door mijn neus zelfs moeilijk wordt. “Terug in de nek?”, vraagt hij, waarna hij meteen opnieuw de vrijgelaten lucht tussen onze lippen compenseert.

“In de nek”, zeg ik, en ik rol me op mijn rug. Het ritmische gekraak van mijn bed verdringt de gedachte aan Tom, de gedachte aan wat ik deed, de gedachte aan Ben, hoe hard die ook schreeuwen om de nodige aandacht. Het zachte kreunen van Ben herinnert me echter opnieuw aan ons afgesproken motto van de avond.

Minder praten. Minder denken.

Meer doen.

Natte kerst

“Fuck.”

Ik wrijf vermoeid in mijn ogen en grijp naar mijn gsm. Eens ’t ding in mijn hand ligt te trillen, maakt het niet meer zo’n onmenselijk geluid als op mijn nachtkastje. Dat was als een drilboor die me uit een meer dan nodige slaap haalde. “Fuck”, mompel ik nogmaals, als ik kijk wie belt. Mijn moeder. Uiteraard. Kerstgedoe. En ik had beloofd om heel de dag te helpen met de voorbereidingen. Fuck, fuck, fuck.

Mijn ogen vallen opnieuw toe en ik laat mijn hoofd zachtjes landen op mijn warm kussen. Nee. Ik moet opstaan. Ik onderneem een poging om mijn oogleden weer open te krijgen, maar die gedragen zich als een garagedeur op elektriciteit tijdens een black-out. En gelijk hebben ze, op zich, want er zit op dit moment geen greintje energie meer in mijn lijf. Mijn maag protesteert wanneer ik me op mijn zij draai. Ik voel de fles wijn, die ik gisteren soldaat heb gemaakt, mee kapseizen bij elke beweging die ik maak. Geweldig idee ook, Luna, een goedkoop wijntje uit de nachtwinkel volledig voor jouw rekening nemen. Suf draai ik mijn hoofd naar de klok die naast de deur tegen de muur hangt. Half twaalf. Half twaalf, en ik ging om tien uur bij mijn moeder zijn.

Fuck.

Ik adem eens diep in en uit en licht mezelf dan uit bed. ’t Moet gezegd, muren zijn een fantastische uitvinding – een gigantische aaneenschakeling van looprekjes voor nog steeds ontnuchterende mensen. Voor ik het weet sta ik in mijn badkamer de gevolgen van een zware nacht te aanschouwen in de spiegel. Ik onderdruk een cynische giechel. Ik heb veel te veel momenten van reflectie – letterlijk en figuurlijk – voor een spiegel. Het geluid van de kraan doet me al verlangen naar de frisheid van ’t water. Ik maak een kommetje met mijn handen en doop mijn gezicht in de koude. Ik voel ik me op slag beter. Water. Nog zo’n fantastische uitvinding. Er zou meer erkenning moeten komen voor water. En voor muren.

Ik wandel terug naar mijn slaapkamer terwijl ik mijn gezicht afdroog met een handdoek. De kamer ruikt muffig en alcoholisch en ziet er echt als een mesthoop uit. Ik zet het raam open, voel de frisse wind door mijn geklitte haar en ga op de rand van mijn bed zitten. Ik zou moeten bellen. Als ik ’n beetje mijn best doe, geraak ik wel om één uur in mijn thuisstad. Ik slaak een zucht en kijk naar mijn verfrommelde lakens. Ik moet nog één ding doen alvorens ik onder de douche kan springen.

“Ben”, fluister ik. “Ben. Be-en.” Ik leg mijn arm om zijn slapende lijf heen en probeer hem om te rollen. De walm van tequila die vrijkomt wanneer zijn gezicht naar boven rolt maakt me zowaar nostalgisch naar… Een paar uur geleden. Zijn ogen blijven gesloten, maar er komt een protesterend, kermend geluidje uit zijn mond. “Ben, je moet gaan. ’t Is bijna middag en ik heb nog heel veel te doen.” Ben draait zich weg en grijpt mijn kussen nog wat steviger vast. Ik sla mijn ogen naar het plafond. “Ben, verdomme. Word wakker!” Niets. Geen reactie.

“Benedict. Komaan.”

Eindelijk beweging van onder de lakens. Traag maar zeker gaat hij rechtop zitten en wrijft hij als een schattig jongetje met de vuisten in zijn ogen. Na enkele seconden opent hij ze en nu kijkt hij naar de mijne. “Je weet dat ik niet wil dat je mijn volledige naam gebruikt, Nana”, zegt hij, en hij trekt zijn lippen scheef in een glimlach. Leuke glimlach. Sexy glimlach.

“En je weet dat ik niet reageer op Nana. Trouwens, ik vind Benedict wel iets hebben.”

Hij vindt nu de energie om luidop te lachen. “Je haat mijn naam. Je zegt gewoon dat je ‘m wel leuk vindt, omdat hij nu eenmaal ook bevat wat je ‘t leukst aan mij vindt.” Hij leunt voorover en trekt me dichter bij zich. “Of niet, soms?”, mompelt hij schor, terwijl hij mijn hand begeleidt naar de laatste lettergreep van zijn naam. “Hoezeer ik ook gesteld ben op je dick, Benedict, ik heb mijn moeder beloofd dat ik zou helpen vandaag. En alsof jij verder geen plannen meer hebt. ’t Is Kerstdag.”

“Het enige plan dat ik nog heb vandaag, is jou overtuigen om iets later naar je mammie te gaan.” Hij glijdt zijn handen onder mijn los slaapt-shirt en zijn warme aanraking geeft me meteen stijve tepels. Ik sluit mijn ogen en beslis dat ik nog vijf seconden mag genieten alvorens ik hem buitengooi. “Ik ben al bijna twee uur te laat”, zeg ik dan lachend, en ik duw hem weg. “Als je wil douchen, doe dan snel nu. Ik bel even naar huis. Maar daarna moet je echt weg. Sorry”, pruillip ik, en ik geef hem een kus. “Ik zie je vast volgend jaar wel.”

“Ha-ha”, lacht hij sarcastisch, “die mop wordt vast ook maar vijftien keer per seconde gemaakt.” Ik schud gniffelend mijn hoofd. Dat ik net om die reden de mop maakte, zou Ben nooit vatten. Dat maakt het zo gemakkelijk om niet voor hem te vallen. Hij loopt naar de badkamer terwijl ik mijn gsm zoek tussen de lakens. Ik zie dat mijn moeder nog twee keer heeft gebeld sinds de laatste keer dat ik keek. Ik neem mezelf voor een bos bloemen, of zo, op te pikken voor ik naar daar ga. Verder heb ik ook twee berichten. Een van Hanne, die vraagt wanneer ze me eindelijk nog eens kan zien, en een van Tom, die vraagt of onze lunchdate van vrijdag nog doorgaat. “Attent”, snuif ik binnensmonds, en ik wandel naar mijn raam.

Sinds die ene avond heb ik niemand van hen nog gezien. Niet Hanne. Niet Olivia. Niet Melanie. Niet Tom. ’t Was die laatste die vorige week vroeg of we eens konden praten. “Waarover?”, zei ik ijzig, toen hij ervoor belde. “Over het feit dat je achter mijn rug een van mijn beste vriendinnen neukte, terwijl je me had verteld dat alles met je ‘vlam’ voorbij was? Of heb je het liever over het feit dat je drie weken nodig had om te beseffen dat er iets te zeggen valt tussen ons?”

Hij zuchtte duidelijk aan de andere kant van de lijn. “Ik wist toch niet dat ze een vriendin van je was. Kom nu. Kunnen we afspreken?” Mijn hand klemde zich als een klauw om mijn gsm. “Moet je wel jammer gevonden hebben, dat ik ze kende, was vast geen deel van je plan”, siste ik, en ik slikte enkele scheldwoorden in. Ik wist dat Tom en ik moesten praten. Ik had zelf zoveel vragen. Ik zou ’t hem nooit zeggen, maar de voorbije drie weken waren een rommeltje geweest. Een anarchistische harmonie tussen alcohol, seks en verantwoordelijkheidsverzuim. Een zware adem ontsnapte uit mijn mond en ik probeerde te ontspannen. “Ik sms je wel waar en wanneer we kunnen afspreken”, zei ik verbazend kalm, en ik legde op.

De wolken zien eruit als een glazen potje watjes die allemaal krap bij elkaar zijn gepropt. “Geen witte kerst”, mompel ik in mijzelf. De regendruppels tikken nu tegen mijn venster. Eerder een natte Kerst, dus. Ergens ver weg hoor ik waterstralen in mijn bad kletteren en ik denk aan de knappe man die onder mijn douchekop staat. De gedachte eraan geeft me plots een erg brandend gevoel. Herinneringen aan de voorbije nacht zweven door mijn hoofd en vullen me met een verlangen naar meer. Zeker na dat sms’je van Tom. Willen of niet, het doet me nog heel veel. Afleiding is dus wel aan de orde. “Sorry, mama”, zeg ik nog in mezelf, alvorens ik mijn T-shirt en slip in mijn slaapkamer achterlaat en naar de badkamer wandel. De warme dampen slaan me aangenaam in het gezicht wanneer ik de deur open.

“Ben.”

Het douchegordijn – en een mond – gaat open. “Luna. Wat krijgen we nu?”

Ik stap in de badkuip en laat mijn handen over zijn natte, stevige lijf glijden terwijl ik met mijn mond langs zijn halslijn glijd. “Mijn moeder redt ’t nog wel even zonder me”, zeg ik, en ik duw mijn borsten tegen zijn borst. “Laten we eerst een nieuwe definitie aan het fenomeen ‘natte kerst’ geven, goed?” Ben grijnst en legt zijn handen op mijn billen. “Als ik je daar een plezier mee kan doen”, zegt hij zacht, met zijn lippen vlak onder mijn rechteroor. “Dat kan je”, fluister ik terug, en ik trek het douchegordijn opnieuw dicht.

(On)gewenst

“Hij komt niet.”

Olivia trekt een medelijdend gezicht. “Waarom niet?”, zegt ze, en ze schuift mijn cocktail iets dichter naar me toe. Ik glimlach, en hoop dat die glimlach “hey, het is het einde van de wereld niet, ik vind het helemaal niet zo erg” uitstraalt, hoewel ik me allesbehalve zo voel. Ik vind het wél erg.

Ik had al een vreemd voorgevoel toen-ie gisteren belde. Tom belt niet. Tom sms’t. “Het spijt me, Loen, maar ik geraak er niet morgen”, zei hij, en ik werd verscheurd door de twee manieren waarop ik kon reageren.
Wat? Waarom? Je had het beloofd! Het “klonk leuk”! Waarom? Nee, vind een oplossing! Je MOET komen!
En:
O, nou, jammer dan. Volgende keer beter. Is niet erg. Was eigenlijk al vergeten dat je meeging.
Ik besloot dan maar te gaan voor een combinatie van de twee. “Wat? Nee, dat is jammer. Nu ja, het lukt wel eens ’n andere keer. Hoe komt het?” Ik hoorde de woorden uit mijn mond rollen en besefte dat ik absoluut niet als mezelf klonk. Ik had ’t liefst willen schreeuwen. Oneindig willen schreeuwen. Maar het gaat nie-ie-iet. (Het is al lang verleden tijd, etc) (goed, oké, sorry). “Ja, ik vind het echt jammer”, antwoordde hij, en hij liet zelfs een korte stilte vallen om zijn spijt te onderstrepen. Attent. “Ik kan er gewoon echt niet onderuit. Kreeg daarnet een telefoontje van m’n tante. Ze had ’n babysit geregeld om op Frouke te passen morgen, maar die heeft net afgebeld. Of ik niet op mijn nichtje zou willen passen, zodat zij naar een belangrijk werketentje kan. Het spijt me echt, maar ik kan haar niet teleurstellen.”

Ik slaakte een zucht. “Goed, ja, dat snap ik”, zei ik vergevensgezind, hoewel ik daarna geluidloos: en mij kan je wel teleurstellen?! schreeuwde naar mijn GSM. Best wel fijn, soms, bellen. Woorden die volledig tegenspreken wat je gezicht zegt. “Maar je gaat het wel moeten goedmaken.” Ik hoorde zijn lach schel in mijn oren. “Dat is niet meer dan eerlijk. Ik maak dit goed. Nogmaals sorry.” Ik ontdooide. Ik was blij dat hij ervoor belde, en er niet voor sms’te. Ik was blij dat hij er zo mee inzat. En toen ’t gesprek afgelopen was, was ik blij dat ik zijn stem had gehoord.

“Familietoestanden”, zeg ik luchtig, en ik drink van mijn Gin-Tonic. Een echt Vincent-drankje, maar ik hield mezelf voor dat ik ‘m net uitlachte door er een te drinken. “Hij komt wel ’n andere keer mee.” Olivia knikt bemoedigend. Hanne, daarentegen, lacht hoon. “Misschien was-ie bang”, zegt ze, en ze zwiept d’r haar over d’r schouder. “Bang van ons oordeel. Ik snap niet goed waarom jij niet bang bent. Wij zouden ‘m zoveel over jou kunnen vertellen. Positieve dingen”, zegt ze, en ze pauzeert, voor effect, een typische Hannepauze, “Maar ook negatieve dingen.”

Ik moet lachen met haar opmerking. ’t Zou Tom absoluut niets kunnen schelen wat ze over mij zegt. Tom luistert niet naar haar. Tom luistert naar mij. En achteraf zouden we hartelijk lachen om alles wat zij had gezegd. “Hij had echt een goede reden, hoor”, zeg ik, en besluit naadloos over te gaan op een ander onderwerp. “Ik ging hem op zijn minst nog meebrengen naar hier. Melanie is er weer niet, omdat ze liever haar beau nog wat langer verstopt.” Olivia is meteen mee. “Ja! Ik ben zo benieuwd naar ‘m. Ze praat er altijd zo mysterieus over. Ik hoop dat ze straks na hun date nog even naar hier komt, dan kunnen we haar d’r eindelijk eens over uithoren.” Hanne draait met haar ogen. “Wees blij dat ik mijn jongens nooit meebreng. Jullie zouden nooit recupereren van de jaloezie.”

Olivia gaat meteen lachend in de aanval terwijl ik van mijn GT nip. Ik had nu zo graag een blik van verstandhouding geworpen naar Tom. Een kleine steek gaat door me heen. Ik mis hem. Ik wou eigenlijk echt dat hij hier was. Ik vis mijn iPhone uit mijn handtas en beslis hem ’n sms’je te sturen. “Hey, als je de rest van de avond nog gaat kwijlen op zijn sms’jes, dan mag je ook gewoon gaan, hoor”, zegt Hanne, ditmaal wel met een scheve glimlach. Ik kijk naar haar en schud lachend mijn hoofd, maar bevries wanneer ik eindelijk de meldingen op mijn GSM bekijk.

6 gemiste oproepen. Van Dries.

Ik staar verward naar mijn scherm. Waarom belt Dries? Niet een, maar zes keer? Ik zie dat hij zelfs een voicemailbericht van 6 seconden heeft achtergelaten. Ik krijg het plots heel warm. Dit klopt niet. Dit is niet goed.

“Ik ga even naar het toilet”, zeg ik, en zonder een mogelijke reactie af te wachten sta ik recht en wandel ik naar de achterkant van de bar. Ik duw de zware deur open en bid dat er niemand in de toiletruimte is. Alle drie de toiletten blijken onbezet te zijn. Naar oude gewoonte ga ik met beide handpalmen steunen op de wastafel en staar ik naar mezelf in de spiegel. We staan hier veel te veel, fluistert mijn hoofd. We staan hier veel te veel naar onszelf te staren om ’t bekijken van gemiste oproepen nog wat langer uit te stellen. Heel even word ik nostalgisch: vroeger had niemand een mobieltje. Vroeger had je geen gemiste oproepen. Een gemiste oproep kwam toen overeen met een lege stoel die rechtover je stond in een restaurant. Een deur die gesloten bleef na vijf keer aanbellen. Ik slaak een luide zucht en ontgrendel mijn iPhone. Niet wetend wat te verwachten klik ik mijn voicemail aan. “6 gemiste oproepen”, mompel ik in mezelf. “Wat is er nou, Dries?”

U heeft één nieuw bericht. 

“Luna.” Hij spreekt mijn naam op zo ’n vuile manier uit dat er meteen een koude rilling over mijn rug loopt. “Bel me terug. Zo snel mogelijk.” Hij klinkt gejaagd. Geënerveerd. Nee. Kwaad. Haast razend. Zijn bijtende manier van praten doet mijn vingers trillen. “We moeten praten. Dringend.”

Klik.

Ik richt mijn blik opnieuw naar de spiegel. Mijn mond staat halfopen, mijn ogen vallen ’t best samen te vatten met het woord ‘verward’. Ik kijk nog eens naar de deur en dubbelcheck dat er niemand in één van de toiletten zit, en klik dan op ‘bellen’. Als ik ’t verbindende getuut hoor, trekt heel mijn hart samen. Ik heb geen idee wat me te wachten staat.

“Luna. Eindelijk.”

Dries klinkt ijskoud. Ik wil iets zeggen, maar de woorden blijven haperen in mijn keel. Ik heb me nog nooit zo niet op mijn gemak gevoeld bij hem – en hij is niet eens in dezelfde ruimte. “Dries. Wat is er?”

Dries lacht, maar ’t is een spottende lach. “Wat is er, zegt ze. Nou. Eerst en vooral. Hoe gaat het met je? Nog leuke dingen gedaan onlangs? Ergens lekker gegeten? Heb je adresjes voor me? Nog afgesproken met dat groepje vrienden van je? Recentelijk nog tripjes naar Brussel gemaakt?” Hij zegt ’t allemaal zo beheerst, en ik weet niet goed hoe te reageren. “Dries, ik snap hier echt niets van. Kan je iets duideli-“

“Nog in bed gelegen met mijn huisgenoot, de afgelopen dagen?”

Een steen valt in mijn maag. Ik probeer te slikken, maar mijn mond is kurkdroog. Er zijn op dit moment geen woorden die Dries kunnen sussen. Hier moet ik gewoon door.

“Hoe voelde dat, eigenlijk, de ene dag in mijn slaapkamer soezen, en de volgende in de kamer daarnaast? Of zijn jullie ’t in mijn bed gaan doen? Voor de kick? Hebben jullie na elk orgasme met me gelachen? Arme, lieve Dries? Die van niets wist? Nee echt. Ik ben erg benieuwd naar je. Hoe ’t met je is. Hoe ’t met jullie is! Is de liefde – is de lust nog steeds sterk en groeiend? Ik hoop het voor jullie. Echt. Keep it.”

Ik begraaf mijn gezicht in mijn vrije hand. Beelden van Dries’ grijze en Vincents blauwe lakens passeren als flitsen door mijn hoofd. De schurende stoppels van Vincent op mijn kin, de zachte kusjes van Dries in mijn hals. De sterke armen van Vincent om mijn lijf en zijn zware, trage ademhaling in mijn nek – en de sms’jes van Dries die ik op die momenten las. Ik walg van mezelf.

“Ik heb Vincent al heel lang niet meer gezien”, zeg ik stil. “Heb alle contact met hem verbroken nadat wij twee… Elkaar opnieuw zagen.”

“Ha, juist”, zegt hij, geen seconde zijn patroniserende toontje loslatend. “Die keer in die bar. Toen ik je confronteerde met wat Vincent me had verteld. En jij gewoon loog in mijn gezicht. Jij zat daar, met je ogen groot, je mond vol alcohol, en je trillende handen. Het was een vergissing, Dries. En ik viel er maar weer mooi voor.” Hij lacht. “Letterlijk, eigenlijk! Een paar uur later lag ik op ’t asfalt. Hilarisch. Heerlijke herinneringen heb ik aan die avond, Luna. Fantastische momenten.”

Ik zwijg. Zijn stem snijdt recht door mijn borst. Hij heeft gelijk, natuurlijk. Er zijn maar weinig avonden dat ik in slaap val zonder minstens één seconde aan mijn leugens te denken. Dries verdiende dat allemaal niet – ik verdiende Dries niet. Het was echt een vergissing, woelt het in mijn hoofd. Het was een vergissing wat ik deed, en het was een vergissing om het je niet te vertellen.

“Godverdomme, Luna”, gaat hij door, ditmaal iets zachter. “Ik gaf je die avond een kans. Een kans om eerlijk te zijn. Een kans om opnieuw te beginnen.” Stilte. Ik hoor zelfs amper zijn ademhaling door de telefoon. “Het spijt me”, zeg ik uiteindelijk, stotterend. Ik besef zelf maar al te goed hoe zwak mijn excuses klinken. Ik heb er alleen geen flauw idee van hoe ik dit ooit weer goed kan maken.

“O, wat fijn, het spijt je”, repliceert hij, en hij zit opnieuw in zijn zelfzekere rol. “Dat maakt alles goed. Blij dat we dit gesprek gehad hebben. We moeten dan nog eens koffie gaan drinken, hé, samen! Daag!” Dat laatste woord schreeuwde hij net niet. Een eenzame traan loopt uit mijn ooghoek en ik veeg hem agressief weg. Ik ben niet het slachtoffer, hoezeer ik me ook zou willen opsluiten in één van de wc’s en er wil huilen als een klein kind.

“Dries, ik heb er echt spijt van. Ik voel me er nog steeds vreselijk slecht over. Maar dit is geen constructief gesprek. Al denk ik niet dat dat je intentie was, maar goed. Doen we dit niet eens beter persoonlijk? Effectief met koffie? Ik trakteer.”

Ik voel me ronduit belachelijk. Probeerde ik nou net een mopje te maken? Geweldig hoor, Luna, hoor ik mijn geweten weer, fantastisch idee van je. Daar springt-ie vast meteen op. Opgelost!

“Sorry, dat klonk… Sorry. Ik wil het echt goedmaken, Dries, ik meen h-“

“Rot toch op”, snauwt hij plots, en de tanden van zijn woorden zetten zich stevig in mijn nek. “Rot op, Luna”, herhaalt hij, nu volledig beheerst. “Rot gewoon op. Ik wil niets meer met je te maken hebben. Maar hey, proficiat, het lijkt erop dat je alles op een rijtje hebt in je leven. Liegen, bedriegen, en tegelijkertijd de onschuldige puppy uithangen. Goed voor je. Nog veel succes ermee. Maar ik heb ’t gehad.”

Als kind was ik altijd gefascineerd door weglopend badwater. Centimeter per centimeter zakte het schuim en uiteindelijk vormden de restjes nat een draaikolk en verdwenen ze. Ik wou dat ik mee kon verdwijnen. Ik wou dat ik een lauwe plas water was die kon wegdrijven in een riool om ergens totaal anders uit te komen. En onderweg zou ik mezelf helemaal schoonmaken. Helemaal nieuw. Onbekend. Onbemind, misschien. Maar een kans om alles opnieuw te doen, en deze keer beter.

“Dag, Luna..”

Klik.

♦ ♦ ♦

Ik duw de toiletdeur opnieuw open met mijn rug terwijl ik met onstabiele vingers een sms typ naar Tom. Ik duw Vincent weg, een vuile vlek, een vergeten kruimel, een rebellerende cornflake onder de koelkast. Ik duw Dries weg, een net afgewassen bord, een mooi glanzend glas, verdwijnend in scherven na een slecht ingeschatte beweging.

De kakofonie aan gesprekken en achtergrondse housemuziek omhelst me weer en verdoofd vind ik opnieuw de weg naar onze tafel. Commotie. Achteruitgeschoven stoelen. Lege stoelen. Gestrekte benen ernaast.

“… Zo blij dat ik ‘m eindelijk eens kan voorstellen aan jullie, ik heb er erg voor moeten zagen…”

Ik vang stukjes en beetjes op van het gesprek en herlees doods mijn snel-snel opgestelde sms. Een flauwe glimlach duwt zich door mijn lamgelegde lippen als ik op ‘stuur’ klik. Ik heb nog altijd Tom.

Een bekend geluidje perst zich door mijn oren en plots ben ik weer bij zinnen. Ik ken dat geluidje. Ik stel mijn ogen op scherp en neem eindelijk de ruimte in me op. Melanie is er. Melanie heeft d’r vriend bij.

Melanie d’r vriend heeft net een sms’je gekregen. En ik weet exact wat er in dat sms’je staat.

“Tom”, fluister ik stil in mezelf, voor ik struikelend over mijn eigen voeten naar mijn handtas en mijn jas grijp. Olivia kijkt onbegrijpend, Melanie kijkt kwaad. Onbeleefde trut, denkt ze vast. Ik krijg mijn vriend eindelijk overtuigd om jullie te leren kennen, en jij gaat de aandachtshoer uithangen en een scène schoppen. “Tom”, zeg ik opnieuw, ditmaal iets luider.

Tom staat aan de grond genageld. Perplex.

“Nou”, zeg ik zo luchtig mogelijk, “Wat fijn om te zien dat sommige wensen wel uitkomen.” Dan richt ik me tot iedereen. “Nog een fijne avond, samen.”

Eenmaal buiten hoor ik niets meer. Voel ik niets meer. Is er gewoonweg niets meer. Alleen maar de vage herinnering aan de woorden, de wens, die ik enkele minuten eerder geuit had aan de jongen die me giechels gaf.

Ik wou dat je hier was.

Giechels

“Don’t want to meet your momma. Just want to make you come-ah.”

Tom is in zijn keuken aan het shaken als een polaroid picture op Hey Ya! van Outkast. Er hangt een overheersende lookgeur in de kamer, omdat die net iets te lang gestoofd heeft alvorens de rest van de spaghettisaus in de pot te doen. Gelukkig eten we allebei niets liever dan look. Ik leun lui tegen het aanrecht terwijl hij op de maat van de muziek met de houten lepel door de saus draait. “Het water kookt bijna”, zegt hij, zonder één seconde te stoppen met dansen. “Doe jij de pasta al open?”

Ik beantwoord zijn vraag door het pak spaghetti open te scheuren en afwachtend over de kookpot te gaan hangen. Tom scandeert nu “oh-oh!”’s door de ruimte, met zijn ogen gesloten, tot het nummer uitdooft. Ik sta met een grote glimlach naar hem te staren. Dit is exact wat ik zo leuk vind aan Tom. Zijn absolute lak aan schaamte. Ik krijg binnenpretjes als ik terugdenk aan alle keren dat ik al op deze manier naar hem keek. Alle keren dat hij een choreografie uitdokterde met onze winkelkar als er een goed nummer uit de boxen schalde in een supermarkt. Tom doet wat hij wil en trekt zich van niemand iets aan. En dat is zó aantrekkelijk.

“Luna? Luna.”

Zijn gezicht wordt plots weer scherp en ik zie hem vragend naar me kijken.

“Mm?”

“Het water.”

“Mm. Wat is er mee?”

“Het kookt.”

“O. Juist. Sorry. “ Verdwaasd laat ik de helft van ’t pak pasta in de pot verdwijnen terwijl ik vecht tegen kinderlijke giechels.

Ik ken deze giechels.

Ik haat deze giechels.

Het is nu drie weken geleden dat we hand in hand naar de pinguïns wandelden en kinderspaghetti’s aten in het restaurant van de zoo. Het moment dat-ie me, een paar uur later, uiteindelijk uit mijn kleren hielp en me op mijn bed gooide, was ik blij. Geil, ook, maar vooral blij. Ik had mijn favoriete sekssprinter terug. Alles voelde goed. Alles was ook goed. Ik zei ’t al eens, en ik zeg het graag nog een keer: Tom kent me. En ik ken Tom. Toen ik uiteindelijk in zijn armen lag na te duizelen van een paar orgasmes, raapte ik de moed samen om te vragen wat ze eigenlijk van de koptelefoon vond. Zijn cadeautje. Voor haar. Zij. Want haar naam kende ik nog altijd niet. “Wat zij er van vindt, dat weet ik niet”, zei hij, en hij draaide cirkeltjes rond mijn rechtertepel. “Maar ik vind ‘m werkelijk fantastisch.”

Ze kwam niet meer ter sprake. Toen niet, en alle keren daarna ook niet. Vandaag ook niet. Vandaag koken we samen pasta, en daarna kijken we samen naar De Slimste Mens. Tijdens de pauzes hitsen we elkaar zodanig op dat we de finale meestal laten voor wat ze is en naar de slaapkamer rennen om ons eigen spel te spelen. En ’t is altijd fantastisch. Zoals het gisteren ook was, en twee dagen daarvoor. Maar twee dagen geleden waren er nog geen giechels. Nu zijn er giechels.

Ik ken deze giechels.

Ik haat deze giechels.

Ik zie de lange, harde staafjes geleidelijk aan verslappen en uiteindelijk als een kaartspel in elkaar stuiken in ’t hete water. “De saus is wel goed zo, denk ik”, zegt Tom, en hij komt achter me staan en slaat zijn armen om me heen. “Nu is ’t alleen nog wachten op de pasta. 9 minuten. Ik vraag me af wat we tot dan moeten doen.” Hij duwt ’t haar uit mijn nek en zijn lippen op mijn huid doen al mijn fijne haartjes rechtop staan. “Ik vind dit wel een fijne manier om de tijd te doden”, zegt hij speels, en hij draait me om. “Zin om medeplichtig te zijn?” Hij wacht niet op mijn antwoord en trekt met zijn tanden zachtjes aan mijn onderlip. Ik leg mijn armen om zijn nek en trek hem dichter. Alles in mijn lijf verlangt naar Tom. Wanneer hij zijn duim op mijn kin plaatst, heb ik zin om net zoals de spaghettisliertjes te verslappen en mezelf volledig te verliezen in zijn aanrakingen. De opwinding giert door mijn aderen, maar ik weet dat het meer is dan dat. Ik weet dat ik niet gewoon zijn riem wil opentrekken en mezelf wil begraven in zijn kruis. Ik sta hier goed zo, dicht bij hem, met zijn mond op de mijne. Dit is goed zo. Wij zijn goed zo.

Ik teken cirkeltjes op zijn rug en probeer niet te denken aan de cirkeltjes draaiende vingers van Vincent op mijn handpalm. Een stille huivering gaat door me heen en ik duw de herinnering weg. Dit is Tom. Tom is anders. Tom is geen zak. Tom is Tom. Tom is van mij. Denk ik.

Hoop ik.

Ik duw zijn borst iets naar achter en laat ruimte tussen onze lippen komen. Ik haal diep adem en hoop dat de lucht die ik naar binnen zuig, sporen van bravoure bevat.

“Zie je haar nog?”

Tom geeft geen krimp en houdt zijn handen op mijn heupen.

“Nee.” Hij plant een kus op mijn mondhoek en trekt me weer iets dichter. “Echt niet, Loen. En”, vervolgt hij, alsof hij wist dat die vraag nog zou komen, “ik ben het ook niet meer van plan.”

Een gloed van warmte glijdt door me heen. Een gevaarlijk gevoel, weet ik. Meer dan giechels. Meer dan kriebels. Een pad dat ik al eens bewandelde, en een pad dat eindigde aan een plotse afgrond en met een onvermijdelijke val. En toch wrijf ik nu lachend door Toms stugge haar.

“Goed.”

Hij lacht sloom terug en begeleidt mijn hoofd naar zijn schouder. Oh, god. Ik ruik zijn aftershave en voel zijn sterke armen op mijn rug. Ik weet niet wat zeggen. Ik weet niet wat doen. Ik weet zelfs niet hoe ik optimaal kan genieten van zijn hartslag die ik door mijn wang voel bonzen. Ik blijf over zijn hoofd wrijven en hij plant nog een kusje in mijn hals. Tom is van mij. Dat moet haast wel.

“Ga mee”, floep ik er plots uit, onvoorzien, ongepland, een idee dat de tijd niet nam om zich iets beter te vormen in mijn hoofd, maar ’t liefst meteen een grootse entree maakte op mijn tong. “Deze zaterdag, bedoel ik.” Ik neem nog eens diep adem om en hoop dat ik niet als een compleet gek geworden wijf overkom dat gewoon een willekeurige reeks woorden op een rijtje zet en maar hoopt dat ze steek houden. “Ik ga met m’n vrienden cocktails drinken in een erg leuke cocktailbar. Hier, in Antwerpen. Ga mee. Wordt leuk.”

Tom draait bedenkelijk met zijn hoofd tot hij met zijn ogen landt in de mijne.

“Oké”, zegt hij, en zijn slome glimlach is er terug. “Klinkt inderdaad leuk.”

Ik denk terug aan de zin die hij daarnet nog aan ’t meebrullen was met Outkast. Tom doet me ’t echt wel uitschreeuwen van genot, meerdere keren, maar nu ik hier sta, nu ik hier de bevestiging van zijn aanwezigheid op de cocktailavond van m’n vrienden lees op zijn relaxte gezicht, besef ik dat ik eigenlijk, misschien, ooit, in een nabije of verre toekomst, zijn moeder wel eens zou willen ontmoeten. Of hem op zijn minst zou willen voorstellen aan de mijne. Ik schud verward met mijn hoofd wanneer ik besef dat ik zonet, binnen dezelfde seconde, zowel aan orgasmes als aan Toms moeder had gedacht.

“Wat is er, smoelentrekker?” Hij port met zijn vinger in mijn zij en ik lach.

“Stop, stop! Nee, niets, er is niets!” Hij legt zijn armen terug om mijn middel en ik kom zachtjes terug tot rust.

“Er is niets”, zeg ik nog eens, dit maar iets rustiger. “Alles is goed.”

Ik zie Toms pretoogjes en een vertrouwde, potentieel gevaarlijke, maar op dit moment vooral heerlijke steek gaat door mijn lijf. En ik lach.

Nee.

Ik giechel.

Handkram & hartkramp

“Volgende, alsjeblieft.”

De verveelde stem van de kassierster rukt mijn ogen weg van de man voor me. ik zet enkele stappen vooruit en sta nu vlak naast hem – hij kegelt zelfzeker zijn enige boodschap in ’t plastieken zakje dat hij ervoor aanschafte. Logisch ook – niemand loopt graag te koop met een jumbopack condooms, open en bloot, in de straten van een grootstad. Al had ’t me van deze man niet verbaasd. Niet in ’t minst.

“Voor mij ook een zakje, graag”, zeg ik, en ik vraag me af of hij mijn stem zou herkennen.

Uit mijn ooghoek zie ik dat hij bij de balie blijft staan wanneer ik mijn zakje vul met de ingrediënten voor mijn pasta pesto vanavond. Ik werp nog een beleefde glimlach naar de iets minder beleefde vrouw achter de kassa en draai me dan uiteindelijk naar hem toe. Hij staat naar me te staren, met een scheve, zelfingenomen glimlach. Zak.

“Dag, kleine.”

Vincent buigt voorover en plant een kus op mijn wang. Ik blijf staan. Zijn aanraking doet me niets. “Wat moet jij in Brussel?”, vraagt hij, zonder één seconde de glimlach op zijn gezicht te verliezen. Mijn vuist jeukt om enkele tanden uit zijn lachende mond te slaan. Niet dat ik dat zou kunnen. Maar ik zou het heel graag willen kunnen.

“Wat moet jij met zoveel condooms?”, repliceer ik. Vincent had geen zaken met mijn aanwezigheid in Brussel. Niemand, eigenlijk. Niemand hoeft te weten dat dit mijn zevende sollicitatiegesprek in één week is. Niemand. Niet Hanne, niet Olivia, niet Melanie. Jezus, zelfs Tom niet.

“Wat ik er mee moet? t Is niet per se een kwestie van moeten, eerder een kwestie van kunnen; ik kan er baby’s mee vermijden”, antwoordt hij, zonder een kik te geven.

Zak.

“Hoe, is Tine nog niet toe aan kindjes dan? Ik dacht dat ’t vrij serieus aan ’t worden was tussen jullie twee”, zeg ik cynisch, en ik maak aanstalten om de supermarkt buiten te wandelen. Flashbacks naar die avond met Dries, in die Brusselse bar, waar ik voor ’t eerst te horen kreeg dat Vincent niet alleen mij, maar ook een zekere Tine naar z’n noten liet grijpen, glijden door m’n hoofd.

“Wacht”, zegt hij, en hij grijpt naar mijn hand. Ik probeer mijn hand los te trekken, maar Vincent houdt ’t stevig vast. “Wacht”, zegt hij, deze keer zachter, en hij trekt me een paar stappen dichter.

“Vincent, dit is niet grappig. Laat me nou los, ik heb hier echt geen zin i-“

Een steek van herkenning stokt mijn woorden wanneer Vincent met zijn duim zachtjes 3 cirkeltjes draait in mijn handpalm, daarna een klein kneepje geeft, en daarna zijn hand terugtrekt. Hij vangt mijn blik, en laat ‘m niet los. En ik zit vast.

 

“Hier”, zegt hij, en hij reikt me een Gin-Tonic aan. “In mijn ogen het meest tijdloze drankje dat er bestaat.” Ik zuig aan het zwarte rietje terwijl ik zijn ogen blijf verleiden. Wat een stuk. Wat – een – snoepje. Hij lacht kuiltjes in zijn wangen en geeft met zijn linkerschouder een duwtje tegen de mijne.

“Zie je die twee daar?”

Hij knikt naar ‘t koppel-voor-één-nacht in de hoek van de tent. De sterke zeewind die sinds de zonsondergang was komen opzetten doet de vrouw haar niet echt flatterende jurk opfladderen tot aan haar heupen, maar deren doet ’t haar niet – ze richt al haar aandacht op het gevangenhouden van de tong van de man voor haar.

“Schattig”, zeg ik, met een kleine glimlach om mijn lippen, hoewel ik ’t liefst wou giechelen. Overenthousiasme doodt een eerste gesprek, wist ik, en ik genoot er zo van om mijn aandacht keer op keer door deze knappe adonis te laten veroveren.

“Ze hebben geluk gehad dat ze allebei even geïnteresseerd zijn in loslippigheid.” Hij nipt van zijn eigen GT en staart peinzend in de nacht. “Hier weet je dat echt nooit, of je gesprekspartner op dezelfde lijn zit. Je weet pas zeker dat de interesse wederzijds is wanneer je een kus probeert te stelen. Dan krijg je ofwel het deksel op je neus, ofwel een persoonlijke rondleiding doorheen de mondhygiëne van een ander.”

“Wat omschrijf je dat toch mooi grafisch”, lach ik, deze keer luidop. “Ik vind dat net leuk. Die spanning. Dat risico. Hoe langer ’t duurt om die lippen te veroveren, hoe leuker ’t uiteindelijk allemaal wordt.” Ik laat zelf nog wat gin door mijn lijf glijden terwijl de wind mijn haar opzweept en ik enkele zandkorrels langs mijn been voel zweven.

“Ik zal je eens iets vertellen.” Hij zet zijn cocktail op het dichtstbijzijnde tafeltje en steekt van wal. “Ik reis graag. Ben geen globetrotter, wel een amateur-avonturier. Nou, ik was ooit in Zweden, en heb daar iets gezien wat ik hier nog nooit gezien heb. Heel vernuftig, heel slim, heel subtiel. ‘Handkram’, heet ‘t.” Hij zwijgt even en wacht op mijn reactie.

“Mmm, ‘handkram’, oké. Ga door?”

“Als je in Scandinavië aan de praat geraakt met iemand die je wel kan bekoren, en je wil er misschien wel meer mee doen dan gewoon praten, dan moet je op een bepaald moment, heel subtiel, ’t hand van die persoon nemen, drie cirkeltjes draaien op de handpalm, eens goed knijpen en dan loslaten. Krijg je binnen de twee minuten een ‘handkram’ terug, dan is de interesse wederzijds. Zo niet, dan kan je rustig afdruipen. Zonder een blauwtje te lopen. Geweldig, toch?” Hij pakt opnieuw zijn Gin Tonic en houdt mijn blik vast.

“Wauw. Dat wist ik niet”, zeg ik, en ik ben oprecht geïnteresseerd in zijn verhaal. “Best wel slim.” Deze keer zet ik mijn GT weg en lach ik flirtend met mijn ogen. “Vol met weetjes, jij.”

“Je weet nog niet de helft, juffrouw. Nog niet de helft.”

“Zeg maar gewoon Luna”, zeg ik, en ik schud lachend mijn hoofd. “Juffrouw gaat me net iets te ver.”

“Aangenaam, Luna”, zegt hij, en hij steekt zijn hand naar me uit. “Ik ben Vincent.”

“Aangenaam, Vincent”, antwoord ik, en ik accepteer zijn hand. Na enkele seconden wil mijn vingers zachtjes terugtrekken, maar hij lost niet. Hij zoekt mijn ogen en ik voel zijn duim cirkeltjes draaien op mijn handpalm. Een warm gevoel gaat door me heen wanneer hij ook nog een klein kneepje geeft alvorens zijn hand te lossen.

“Handkram”, zeg ik, vooral omdat ik niet goed weet wat anders te zeggen.

“Wat leer je snel”, zegt hij speels, en hij neemt een kleine stap achteruit. “Nu gaan dus de ongetwijfeld spannendste twee minuten van m’n leven in.”

Ik lach. “Misschien moet je die Gin Tonic al maar op dat tafeltje zetten, voor de zekerheid. Je weet maar nooit.” Vincent schatert. “Wat, is mijn linkerhand niet goed genoeg voor je?”, zegt hij, terwijl hij effectief zijn glas wegzet. “Grijp je liever het hand dat koud en nat is van de zwetende ijsblokjes in mijn cocktail?”

“Niet per se dat”, zeg ik, en ik stap vooruit, tot ik vlak voor hem sta. “Ik heb gewoon graag één hand om mijn gezicht en één hand om mijn middel als ik aan ’t kussen ben.” Ik leg mijn beide armen om zijn nek heen en laat mijn lippen onder zijn rechteroor zweven.

“Als dat oké is voor jou, tenminste.”

“Meer dan”, fluistert hij terug, en hij plaatst één hand om mijn gezicht, één hand om mijn middel, en vindt mijn mond.

 

Ik schud mezelf los uit de herinnering en kijk nu heel strak naar Vincents ogen.

“Ik zie dat je je het nog herinnert”, zegt hij. “Dat strandfeest, god. Wat een nacht. Wat een ochtend. Wat een week.” Hij trekt flirterig zijn linkermondhoek omhoog. “Ik doe het zo opnieuw, Luna. Ik doe jou zo opnieuw. Ik bel je, ik sms je. Jij belt noch sms’t terug. Waarom? Is ’t door Tine? Tine is fijn, ja. Het werkt tussen ons. Maar jij…” Hij laat zijn blik langs mijn lichaam glijden en komt dan opnieuw uit bij mijn ogen. “Nou, laten we zeggen dat relaties ons nog niet tegenhielden in ’t verleden.”

“Mmm”, zeg ik, met een valse glimlach. Ik loop traag naar ‘m toe en streel met mijn hand zijn linkerarm, tot ik bij zijn vingers uitkom. Drie cirkeltjes, één kneepje, en los. Hij lacht. In zijn ogen lees ik succes. Ik lach terug, draai zijn palm naar boven en open zijn hand. Ik vis een euro uit het wisselgeld in mijn broekzak en leg die in Vincents hand.

“Hier”, zeg ik. “Ga er een geweten mee kopen.”

Ik wacht niet op Vincents reactie en wandel weg.

“Een euro?”, hoor ik ‘m zeggen, al schaterend, terwijl ik de roltrap nader. “Nou, dan kom ik er nog goedkoop van af. Ik wil niet weten wat jouw geweten moet kosten. Weet Dries ’t ondertussen al? Van onze nachtelijke activiteiten? Je mond om mijn lul? Nee? Denkt hij nog steeds dat ’t bij onschuldige kusjes bleef?

Ik probeer zijn stem uit mijn hoofd te blokken en wandel de roltrap zo snel mogelijk op.

“Je bent een hypocriet, weet je dat? Je veroordeelt mijn manier van leven, terwijl je geen haar beter bent. Jij bent net zoals ik, Luna. Hoe sneller je dat beseft, hoe beter.”

Het straatlawaai en de frisse lucht slaan me in het gezicht en ik haal opgelucht adem. En ik wandel. Ik wandel weg van de situatie. Weg van de herinnering. En ik smaak. Ik smaak zoute druppels in mijn mondhoeken.

Ik smaak bittere waarheden op mijn tong.

 

 

 

Woensdag Tomdag (2)

“Mm”, mompelt Tom wazig. Hij zoekt opnieuw mijn lippen en trekt zachtjes met zijn tanden aan mijn onderlip. Er gaan een heleboel vragen door mijn hoofd terwijl hij met zijn ene hand mijn kin omhoog houdt en met z’n ander stevig aan mijn haar trekt. Vragen zoals “Is dit oké?”, “Beseft Tom wat hij aan het doen is?”, “Is dit een foute beslissing?” spannen de kroon – vragen zoals “Wat als het glas breekt?” en “Wat als ik plots oogcontact maak met een luiaard en de slappe lach krijg?” probeer ik te onderdrukken, wegens irrelevant en belachelijk. Tom verschuift nu de aandacht naar mijn hals en ik sluit vol genot mijn ogen. Geen vragen nu. Vragen zijn voor later. Actie.

Ik gooi mijn armen om zijn nek en schakel ons gekus een niveau hoger. Ik zou kunnen checken, maar ik ben er 98% zeker van dat er reeds een mooie erectie huist in zijn bordeauxrode broek. Tom probeert me opnieuw wat dichter bij ’t glas te duwen, maar ik heb ’t een beetje gehad met zijn dominantie. In enkele snelle passen heb ik de situatie omgedraaid en duwt nu Toms prachtig kontje tegen de glazen muur aan. Ik zweef met mijn lippen voor de zijne en trek mijn mond terug weg wanneer hij contact probeert te maken. “Niet doen”, fluistert hij, en inwendig kir ik van plezier. Ik duw mijn rechterknie zachtjes tussen zijn benen en sabbel op zijn rechteroor terwijl hij gulzig met zijn handen onder mijn truitje kruipt. Plots duwt hij me wat verder weg – al blijven zijn handen waar ze waren – en kijkt hij rond.

“Kunnen we dit wel doen hier?”

Ik herinner me de afwezige fotogenieke vogel aan de ingang van de zoo en ’t grote gebrek aan kinderwagens en jubelende peuters. De Antwerpse dierentuin had sowieso al geen succes op deze druilerige woensdag – laat staan in het vervallen, verlaten verblijf van de vleermuizen en de luiaards.

“Je bent toch niet bang, hé?”, zeg ik plagerig, terugdenkend aan enkele minuten geleden, toen hij me exact hetzelfde vroeg.

Hij beantwoordt mijn vraag door me dichter tegen hem aan te trekken. Hij duwt mijn jas van mijn schouders, mijn mooie, zwarte, zachte jas, die nu op de hoogstwaarschijnlijk vreselijk vuile vloer van de zoo terecht komt – en het kan me werkelijk niets schelen. “Jezus”, lacht hij in mijn oor, wanneer hij zoals altijd sukkelt met de sluiting van mijn beha. Ik trek zijn armen van onder mijn truitje en duw ze tegen ’t glas.

“Nog niet.”

Ik heb nog nooit een jongen gepijpt in een dierentuin. In een trein, in een concertzaal, in de toiletten van een vuil café, maar nog nooit op zo’n onschuldige locatie als de zoo. Mijn handen glijden langs zijn lijf, langs zijn borst, langs zijn navel, en eindigen ergens in zijn liesstreek. Ik ga met mijn knieën op mijn jas zitten. Het beste maken van een ongelukkige situatie, noemen ze dat – een vuile jas, maar pijnloze knieën. “Wacht”, zegt Tom plots als ik mijn handen op zijn riem plaats.

“Nee, serieus. Kunnen we dit echt wel doen? Wat als er iemand langskomt?”

Ik denk een seconde na over de twijfels van Tom. Dan ga ik opnieuw staan, plaats ik beide handen onderaan mijn truitje, trek ik ‘t over mijn hoofd, leg ik ’t bij mijn jas, en maak ik mijn rode beha los. Toms mond gaat open. Dan weer dicht. Dan weer open. En dan, na een kleine aarzeling, opnieuw dicht. Er speelt een ondeugend lachje om mijn lippen.

“Tja, dan zijn we er roodgloeiend bij”, zeg ik, terwijl ik Toms handen op mijn borsten plaats. “Laten we er dus voor zorgen dat ’t het risico waard is, niet?”

Wat ik ‘m niet vertel, is dat ik doodsbang ben. En dat ik ’t ook wel een beetje koud heb. Wat hij dan natuurlijk weer leuk vindt. Hij brengt zijn lippen naar mijn stijve tepels en de warmte doet deugd. Oké, niet alleen de warmte. Maar ’t is toch ook het vermelden waard. Ik wrijf door zijn haar terwijl ik zelf mijn hoofd in mijn nek gooi. ’t Is vreemd, maar niets voelt beter dan mijn lange haar op mijn naakte huid. Tom weet ‘t. Tom weet alles. En dus trekt hij met z’n hand mijn haar nog wat meer naar beneden. Aan de gespleten puntjes. Want ik ben nog steeds niet naar de kapper geweest

“Jouw beurt. Tijd om solidair te zijn.”

Voor de tweede keer duw ik Tom weer tegen ’t glas aan en plaats ik mijn knieën op mijn jas én mijn truitje. Deze keer protesteert hij niet als ik zijn riem losmaak. Hij zegt ook geen woord wanneer ik zijn broek tot aan zijn enkels trek, en kermt alleen maar een beetje wanneer ik zijn strakke boxer zijn broek gezelschap laat houden. Zijn penis staat fier rechtop naar me te kijken en glimt al een heel klein beetje. Ideaal. Net zoals ik ’t graag heb.

“God, Luna, je hebt er geen flauw idee van hoe geil dit eruit ziet.”

In alle eerlijkheid kan ik ’t mij perfect voorstellen hoe geil het aanzicht van bouncy borstjes en een mond die alles kan opzuigen is. Ik beslis er nog een schepje bovenop te doen door recht in Toms ogen te staren wanneer ik zachtjes cirkeltjes rond zijn eikel lik.

“Jezus, Loen!”

Tom kickt op oogcontact. Ik weet ‘t. Ik weet alles.

Even twijfel ik om zelf ook mijn broek naar beneden te trekken, mijn kont tegen zijn stijve te drukken en me hard langs achter te laten nemen, maar dat gaat me net een brug te ver. Of niet? Of wel? Ik denk aan mijn natte broek, aan mijn hand rond Toms ballen, maar ook aan de omgeving, ook aan de risico’s. Ik wil ‘t. Ik wil ’t écht. Maar wil ik het hier?

Ik sta op het punt om naar Toms mening te vragen wanneer ik zijn hand hard tegen ’t glas hoor knallen, zoekend naar evenwicht. Zijn ogen zijn niet langer gericht op mijn betere tongwerk, maar op ’t plafond. Ik besef dat hij dichtbij is. Ik verstrak mijn greep op zijn balzak en versnel mijn tempo. Ik kijk opnieuw naar zijn gezicht, en vang zijn blik. Ik stop niet. Niet met kijken, niet met pijpen, niet met knijpen. En hij probeert ’t wel, hij probeert zijn ogen op mij te houden, maar hij sluit ze uiteindelijk terwijl hij een lange en luide zucht slaat. Ik stop niet met zuigen tot ik ‘t allerlaatste orgasmedruppeltje geslikt heb.

Ik blijf op mijn knieën zitten en kijk zelfvoldaan naar Tom, wiens gezicht me vertelt dat hij nog steeds aan ’t recupereren is. Uiteindelijk beginnen zijn mondhoeken toch te trekken en helpt hij me al lachend recht.

“Zelfingenomen trut”, zegt hij, en hij slaat speels tegen mijn nog steeds hard staande tepels.

Ik sla mijn armen overdrijvend beschermend om mijn borsten heen en trek een compleet ongeloofwaardig kwaad gezicht. “En ik die net ging zeggen dat ik dat zoo-idee van jou achteraf gezien nog niet zo slecht vond.”

Tom lacht en reikt me mijn beha aan. “O, vond je dit al leuk?”, zegt hij, terwijl hij zijn boxer en broek in één ruk optrekt. “Wacht dan maar tot we de pinguïns hebben gezien. Wist je dat je die nu echt van op luttele centimeters kan zien? Je kan ze eigenlijk zelfs aanraken. Nu ja, dat mag natuurlijk niet, maar op zich, als er echt zo weinig volk is, en er is geen opzichter in de buurt, dan kunnen we…”

Ik trek mijn truitje over mijn hoofd en leg mijn haar opnieuw iets of wat in de plooi. Tom praat geanimeerd verder over pinguïns en otters, maar ik kan alleen glimlachend toekijken terwijl zijn woorden me passeren.

Ik heb absoluut niets tegen de zoo.

Integendeel.

Ik hou van de zoo.