Pillow talk

Een enkele zonnestraal werkt zich een weg door mijn gordijnen en valt recht op mijn gezicht. Ik weet nog hoe leuk ik ’t vroeger vond om wakker te worden met zonlicht. Met de belofte van een mooie dag. Nu voel ik me er alleen maar slecht door – zon in mijn gezicht betekent dat het laat genoeg is om de zonsopgang gemist te hebben. Nog maar eens een verspilde voormiddag, zonder werk om handen. Ik zucht en draai mijn gezicht naar Tom toe, die zich van geen zonnestraal bewust is. Als ik naar zijn dichte ogen kijk, vraag ik me voor de zoveelste keer in minder dan vierentwintig uur af of wat we aan het doen zijn, niet compleet nutteloos is. Nutteloos en verkeerd. Maar dan begint mijn hand te jeuken om de haren die voor zijn voorhoofd gevallen zijn, terug achteruit te strijken.

Net als ik op het punt sta om ’t effectief te doen, opent hij zijn ogen. Op momenten als dit ben ik er rotsvast van overtuigd dat slapende mensen ’t voelen wanneer iemand naar hen kijkt. Dat een gefixeerde, wakkere blik als koffie is voor slapende oogleden.

“Hey”, zegt hij met een glimlach, en hij trekt me dichter. Ik kruip in zijn armen en hij streelt zachtjes over mijn rug. Vroeger betekende dit alles dat ik maximum twee minuten later mijn nagels in zijn vel zou zetten en met mijn tong zijn eikel zou verwennen, behendig achtjes draaiend, tegelijkertijd zijn ballen strelend. Vroeger waren onze knuffels puur voor de vorm; een kort voorspel, een toneel van een ander soort intimiteit alvorens over te gaan op hetgeen we echt wouden van elkaar: een ruwe, harde passie, gevolgd door een intense bevrediging van onze meest dierlijke behoeften. Nu laat hij zijn arm lui liggen op mijn zij, en soest hij nog een beetje verder.

Ik houd ervan. Ik houd van onze nieuwe intimiteit. Onze échte intimiteit. Ik houd van zijn oprechte interesse in mijn dag, in mijn leven. Ik houd van de manier waarop hij nu om me geeft. Maar ik haat het ook. Ik haat hoe ik niet weet of ik een gemakkelijke substituut ben, een tweede keuze, een handig back-up plan. Ik haat hoe ik, bij elk lief gebaar dat hij maakt, me afvraag of hij het wel echt meent. Ik haat hoe ik sinds gisteren de woorden van Olivia niet uit mijn hoofd krijg. En ik haat hoe ik de stem van Hanne, een stem die ik al weken niet meer heb gehoord, toch hoor in mijn achterhoofd: Veeg die stomme glimlach van je gezicht. Naïeve hoop staat je niet. 

Hij komt met zijn gezicht dichter bij ’t mijne en zoekt mijn lippen. Hij drukt zijn mond op de mijne, maar ik reageer niet. Zijn warme aanraking geeft me duizend vlinders, maar ik slik ze terug in.

“Wat is er? Is ’t mijn ochtendadem?”

Hij ademt een keer in zijn eigen hand en probeert zo zijn eigen adem te ruiken. “Shit”, lacht hij, en hij trekt een lelijk gezicht. “Oké, goed. Niet kussen zonder frisse adem. Genoteerd”, zegt hij, en geeft een zachte kus op mijn wang in de plaats.

“Loen. Alles oké?” Hij gaat steunen op een ellenboog en kijkt nu van bovenaf op me neer. “Je bent verdacht stil. Niet alleen nu – gisteravond ook al. Is er iets?”

“Nee”, zeg ik. Ja, denk ik.

Tom fronst zijn wenkbrauwen. “Was het mijn spaghetti?”

Ik onderdruk een giechel. “Nee. Je spaghetti was heerlijk, zoals altijd.”

“Oké…” Hij legt zijn hand op zijn kin en doet alsof hij erg hard aan het nadenken is. “Was het mijn scheet tijdens het eten van de spaghetti?”

Nu moet ik luidop lachen. “Nee. Al was die wel echt walgelijk.”

Hij lacht ook, en begint weer zachtjes over mijn rug te strelen. “Wat is er dan? Er is iets. Ik ken je. Er is iets.”

Even twijfel ik om mijn twijfels aan te snijden, maar zijn streling voelt zo goed. Zo teder. Zo oprecht. Ik zie hoe hij afwachtend in mijn ogen tuurt en beslis dat ik zijn blik liever beantwoord met een glimlach en een kus dan met een zwaar gesprek. Althans, op dit moment.

“Er is niets”, zeg ik, met een glimlach, en ik plant mijn lippen lui op de zijne. “Gewoon nog een beetje slaperig, dat is alles.” Ik leg mijn hoofd op zijn borst en druk hem stevig tegen me aan. “Oké, ik geloof je”, zegt hij, en hij wrijft zachtjes door mijn haar. “Zolang je maar weet dat je me alles kan vertellen.”

Heel even denk ik aan Ben en aan Olivia’s acte de présence. Er zijn zo veel waarheden waar Tom recht op heeft, maar waarvan ik niet weet hoe ze te bekennen. Waarheden die ik amper met iemand heb kunnen delen, eigenlijk. Olivia had gelijk. Ik heb nog met niemand deftig over deze hele situatie kunnen praten. Ik sluit mijn ogen en voel Toms hartslag vertragen en zijn hand bevriezen op mijn hoofd. Net als ik op het punt sta om opnieuw in slaap te vallen, besef ik dat ik iemand nodig heb. Iemand die me zal zeggen waar ’t op staat, zonder me te veroordelen. Of toch niet heus.

Hanne.

Ik heb Hanne nodig.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s