(On)gewenst

“Hij komt niet.”

Olivia trekt een medelijdend gezicht. “Waarom niet?”, zegt ze, en ze schuift mijn cocktail iets dichter naar me toe. Ik glimlach, en hoop dat die glimlach “hey, het is het einde van de wereld niet, ik vind het helemaal niet zo erg” uitstraalt, hoewel ik me allesbehalve zo voel. Ik vind het wél erg.

Ik had al een vreemd voorgevoel toen-ie gisteren belde. Tom belt niet. Tom sms’t. “Het spijt me, Loen, maar ik geraak er niet morgen”, zei hij, en ik werd verscheurd door de twee manieren waarop ik kon reageren.
Wat? Waarom? Je had het beloofd! Het “klonk leuk”! Waarom? Nee, vind een oplossing! Je MOET komen!
En:
O, nou, jammer dan. Volgende keer beter. Is niet erg. Was eigenlijk al vergeten dat je meeging.
Ik besloot dan maar te gaan voor een combinatie van de twee. “Wat? Nee, dat is jammer. Nu ja, het lukt wel eens ’n andere keer. Hoe komt het?” Ik hoorde de woorden uit mijn mond rollen en besefte dat ik absoluut niet als mezelf klonk. Ik had ’t liefst willen schreeuwen. Oneindig willen schreeuwen. Maar het gaat nie-ie-iet. (Het is al lang verleden tijd, etc) (goed, oké, sorry). “Ja, ik vind het echt jammer”, antwoordde hij, en hij liet zelfs een korte stilte vallen om zijn spijt te onderstrepen. Attent. “Ik kan er gewoon echt niet onderuit. Kreeg daarnet een telefoontje van m’n tante. Ze had ’n babysit geregeld om op Frouke te passen morgen, maar die heeft net afgebeld. Of ik niet op mijn nichtje zou willen passen, zodat zij naar een belangrijk werketentje kan. Het spijt me echt, maar ik kan haar niet teleurstellen.”

Ik slaakte een zucht. “Goed, ja, dat snap ik”, zei ik vergevensgezind, hoewel ik daarna geluidloos: en mij kan je wel teleurstellen?! schreeuwde naar mijn GSM. Best wel fijn, soms, bellen. Woorden die volledig tegenspreken wat je gezicht zegt. “Maar je gaat het wel moeten goedmaken.” Ik hoorde zijn lach schel in mijn oren. “Dat is niet meer dan eerlijk. Ik maak dit goed. Nogmaals sorry.” Ik ontdooide. Ik was blij dat hij ervoor belde, en er niet voor sms’te. Ik was blij dat hij er zo mee inzat. En toen ’t gesprek afgelopen was, was ik blij dat ik zijn stem had gehoord.

“Familietoestanden”, zeg ik luchtig, en ik drink van mijn Gin-Tonic. Een echt Vincent-drankje, maar ik hield mezelf voor dat ik ‘m net uitlachte door er een te drinken. “Hij komt wel ’n andere keer mee.” Olivia knikt bemoedigend. Hanne, daarentegen, lacht hoon. “Misschien was-ie bang”, zegt ze, en ze zwiept d’r haar over d’r schouder. “Bang van ons oordeel. Ik snap niet goed waarom jij niet bang bent. Wij zouden ‘m zoveel over jou kunnen vertellen. Positieve dingen”, zegt ze, en ze pauzeert, voor effect, een typische Hannepauze, “Maar ook negatieve dingen.”

Ik moet lachen met haar opmerking. ’t Zou Tom absoluut niets kunnen schelen wat ze over mij zegt. Tom luistert niet naar haar. Tom luistert naar mij. En achteraf zouden we hartelijk lachen om alles wat zij had gezegd. “Hij had echt een goede reden, hoor”, zeg ik, en besluit naadloos over te gaan op een ander onderwerp. “Ik ging hem op zijn minst nog meebrengen naar hier. Melanie is er weer niet, omdat ze liever haar beau nog wat langer verstopt.” Olivia is meteen mee. “Ja! Ik ben zo benieuwd naar ‘m. Ze praat er altijd zo mysterieus over. Ik hoop dat ze straks na hun date nog even naar hier komt, dan kunnen we haar d’r eindelijk eens over uithoren.” Hanne draait met haar ogen. “Wees blij dat ik mijn jongens nooit meebreng. Jullie zouden nooit recupereren van de jaloezie.”

Olivia gaat meteen lachend in de aanval terwijl ik van mijn GT nip. Ik had nu zo graag een blik van verstandhouding geworpen naar Tom. Een kleine steek gaat door me heen. Ik mis hem. Ik wou eigenlijk echt dat hij hier was. Ik vis mijn iPhone uit mijn handtas en beslis hem ’n sms’je te sturen. “Hey, als je de rest van de avond nog gaat kwijlen op zijn sms’jes, dan mag je ook gewoon gaan, hoor”, zegt Hanne, ditmaal wel met een scheve glimlach. Ik kijk naar haar en schud lachend mijn hoofd, maar bevries wanneer ik eindelijk de meldingen op mijn GSM bekijk.

6 gemiste oproepen. Van Dries.

Ik staar verward naar mijn scherm. Waarom belt Dries? Niet een, maar zes keer? Ik zie dat hij zelfs een voicemailbericht van 6 seconden heeft achtergelaten. Ik krijg het plots heel warm. Dit klopt niet. Dit is niet goed.

“Ik ga even naar het toilet”, zeg ik, en zonder een mogelijke reactie af te wachten sta ik recht en wandel ik naar de achterkant van de bar. Ik duw de zware deur open en bid dat er niemand in de toiletruimte is. Alle drie de toiletten blijken onbezet te zijn. Naar oude gewoonte ga ik met beide handpalmen steunen op de wastafel en staar ik naar mezelf in de spiegel. We staan hier veel te veel, fluistert mijn hoofd. We staan hier veel te veel naar onszelf te staren om ’t bekijken van gemiste oproepen nog wat langer uit te stellen. Heel even word ik nostalgisch: vroeger had niemand een mobieltje. Vroeger had je geen gemiste oproepen. Een gemiste oproep kwam toen overeen met een lege stoel die rechtover je stond in een restaurant. Een deur die gesloten bleef na vijf keer aanbellen. Ik slaak een luide zucht en ontgrendel mijn iPhone. Niet wetend wat te verwachten klik ik mijn voicemail aan. “6 gemiste oproepen”, mompel ik in mezelf. “Wat is er nou, Dries?”

U heeft één nieuw bericht. 

“Luna.” Hij spreekt mijn naam op zo ’n vuile manier uit dat er meteen een koude rilling over mijn rug loopt. “Bel me terug. Zo snel mogelijk.” Hij klinkt gejaagd. Geënerveerd. Nee. Kwaad. Haast razend. Zijn bijtende manier van praten doet mijn vingers trillen. “We moeten praten. Dringend.”

Klik.

Ik richt mijn blik opnieuw naar de spiegel. Mijn mond staat halfopen, mijn ogen vallen ’t best samen te vatten met het woord ‘verward’. Ik kijk nog eens naar de deur en dubbelcheck dat er niemand in één van de toiletten zit, en klik dan op ‘bellen’. Als ik ’t verbindende getuut hoor, trekt heel mijn hart samen. Ik heb geen idee wat me te wachten staat.

“Luna. Eindelijk.”

Dries klinkt ijskoud. Ik wil iets zeggen, maar de woorden blijven haperen in mijn keel. Ik heb me nog nooit zo niet op mijn gemak gevoeld bij hem – en hij is niet eens in dezelfde ruimte. “Dries. Wat is er?”

Dries lacht, maar ’t is een spottende lach. “Wat is er, zegt ze. Nou. Eerst en vooral. Hoe gaat het met je? Nog leuke dingen gedaan onlangs? Ergens lekker gegeten? Heb je adresjes voor me? Nog afgesproken met dat groepje vrienden van je? Recentelijk nog tripjes naar Brussel gemaakt?” Hij zegt ’t allemaal zo beheerst, en ik weet niet goed hoe te reageren. “Dries, ik snap hier echt niets van. Kan je iets duideli-“

“Nog in bed gelegen met mijn huisgenoot, de afgelopen dagen?”

Een steen valt in mijn maag. Ik probeer te slikken, maar mijn mond is kurkdroog. Er zijn op dit moment geen woorden die Dries kunnen sussen. Hier moet ik gewoon door.

“Hoe voelde dat, eigenlijk, de ene dag in mijn slaapkamer soezen, en de volgende in de kamer daarnaast? Of zijn jullie ’t in mijn bed gaan doen? Voor de kick? Hebben jullie na elk orgasme met me gelachen? Arme, lieve Dries? Die van niets wist? Nee echt. Ik ben erg benieuwd naar je. Hoe ’t met je is. Hoe ’t met jullie is! Is de liefde – is de lust nog steeds sterk en groeiend? Ik hoop het voor jullie. Echt. Keep it.”

Ik begraaf mijn gezicht in mijn vrije hand. Beelden van Dries’ grijze en Vincents blauwe lakens passeren als flitsen door mijn hoofd. De schurende stoppels van Vincent op mijn kin, de zachte kusjes van Dries in mijn hals. De sterke armen van Vincent om mijn lijf en zijn zware, trage ademhaling in mijn nek – en de sms’jes van Dries die ik op die momenten las. Ik walg van mezelf.

“Ik heb Vincent al heel lang niet meer gezien”, zeg ik stil. “Heb alle contact met hem verbroken nadat wij twee… Elkaar opnieuw zagen.”

“Ha, juist”, zegt hij, geen seconde zijn patroniserende toontje loslatend. “Die keer in die bar. Toen ik je confronteerde met wat Vincent me had verteld. En jij gewoon loog in mijn gezicht. Jij zat daar, met je ogen groot, je mond vol alcohol, en je trillende handen. Het was een vergissing, Dries. En ik viel er maar weer mooi voor.” Hij lacht. “Letterlijk, eigenlijk! Een paar uur later lag ik op ’t asfalt. Hilarisch. Heerlijke herinneringen heb ik aan die avond, Luna. Fantastische momenten.”

Ik zwijg. Zijn stem snijdt recht door mijn borst. Hij heeft gelijk, natuurlijk. Er zijn maar weinig avonden dat ik in slaap val zonder minstens één seconde aan mijn leugens te denken. Dries verdiende dat allemaal niet – ik verdiende Dries niet. Het was echt een vergissing, woelt het in mijn hoofd. Het was een vergissing wat ik deed, en het was een vergissing om het je niet te vertellen.

“Godverdomme, Luna”, gaat hij door, ditmaal iets zachter. “Ik gaf je die avond een kans. Een kans om eerlijk te zijn. Een kans om opnieuw te beginnen.” Stilte. Ik hoor zelfs amper zijn ademhaling door de telefoon. “Het spijt me”, zeg ik uiteindelijk, stotterend. Ik besef zelf maar al te goed hoe zwak mijn excuses klinken. Ik heb er alleen geen flauw idee van hoe ik dit ooit weer goed kan maken.

“O, wat fijn, het spijt je”, repliceert hij, en hij zit opnieuw in zijn zelfzekere rol. “Dat maakt alles goed. Blij dat we dit gesprek gehad hebben. We moeten dan nog eens koffie gaan drinken, hé, samen! Daag!” Dat laatste woord schreeuwde hij net niet. Een eenzame traan loopt uit mijn ooghoek en ik veeg hem agressief weg. Ik ben niet het slachtoffer, hoezeer ik me ook zou willen opsluiten in één van de wc’s en er wil huilen als een klein kind.

“Dries, ik heb er echt spijt van. Ik voel me er nog steeds vreselijk slecht over. Maar dit is geen constructief gesprek. Al denk ik niet dat dat je intentie was, maar goed. Doen we dit niet eens beter persoonlijk? Effectief met koffie? Ik trakteer.”

Ik voel me ronduit belachelijk. Probeerde ik nou net een mopje te maken? Geweldig hoor, Luna, hoor ik mijn geweten weer, fantastisch idee van je. Daar springt-ie vast meteen op. Opgelost!

“Sorry, dat klonk… Sorry. Ik wil het echt goedmaken, Dries, ik meen h-“

“Rot toch op”, snauwt hij plots, en de tanden van zijn woorden zetten zich stevig in mijn nek. “Rot op, Luna”, herhaalt hij, nu volledig beheerst. “Rot gewoon op. Ik wil niets meer met je te maken hebben. Maar hey, proficiat, het lijkt erop dat je alles op een rijtje hebt in je leven. Liegen, bedriegen, en tegelijkertijd de onschuldige puppy uithangen. Goed voor je. Nog veel succes ermee. Maar ik heb ’t gehad.”

Als kind was ik altijd gefascineerd door weglopend badwater. Centimeter per centimeter zakte het schuim en uiteindelijk vormden de restjes nat een draaikolk en verdwenen ze. Ik wou dat ik mee kon verdwijnen. Ik wou dat ik een lauwe plas water was die kon wegdrijven in een riool om ergens totaal anders uit te komen. En onderweg zou ik mezelf helemaal schoonmaken. Helemaal nieuw. Onbekend. Onbemind, misschien. Maar een kans om alles opnieuw te doen, en deze keer beter.

“Dag, Luna..”

Klik.

♦ ♦ ♦

Ik duw de toiletdeur opnieuw open met mijn rug terwijl ik met onstabiele vingers een sms typ naar Tom. Ik duw Vincent weg, een vuile vlek, een vergeten kruimel, een rebellerende cornflake onder de koelkast. Ik duw Dries weg, een net afgewassen bord, een mooi glanzend glas, verdwijnend in scherven na een slecht ingeschatte beweging.

De kakofonie aan gesprekken en achtergrondse housemuziek omhelst me weer en verdoofd vind ik opnieuw de weg naar onze tafel. Commotie. Achteruitgeschoven stoelen. Lege stoelen. Gestrekte benen ernaast.

“… Zo blij dat ik ‘m eindelijk eens kan voorstellen aan jullie, ik heb er erg voor moeten zagen…”

Ik vang stukjes en beetjes op van het gesprek en herlees doods mijn snel-snel opgestelde sms. Een flauwe glimlach duwt zich door mijn lamgelegde lippen als ik op ‘stuur’ klik. Ik heb nog altijd Tom.

Een bekend geluidje perst zich door mijn oren en plots ben ik weer bij zinnen. Ik ken dat geluidje. Ik stel mijn ogen op scherp en neem eindelijk de ruimte in me op. Melanie is er. Melanie heeft d’r vriend bij.

Melanie d’r vriend heeft net een sms’je gekregen. En ik weet exact wat er in dat sms’je staat.

“Tom”, fluister ik stil in mezelf, voor ik struikelend over mijn eigen voeten naar mijn handtas en mijn jas grijp. Olivia kijkt onbegrijpend, Melanie kijkt kwaad. Onbeleefde trut, denkt ze vast. Ik krijg mijn vriend eindelijk overtuigd om jullie te leren kennen, en jij gaat de aandachtshoer uithangen en een scène schoppen. “Tom”, zeg ik opnieuw, ditmaal iets luider.

Tom staat aan de grond genageld. Perplex.

“Nou”, zeg ik zo luchtig mogelijk, “Wat fijn om te zien dat sommige wensen wel uitkomen.” Dan richt ik me tot iedereen. “Nog een fijne avond, samen.”

Eenmaal buiten hoor ik niets meer. Voel ik niets meer. Is er gewoonweg niets meer. Alleen maar de vage herinnering aan de woorden, de wens, die ik enkele minuten eerder geuit had aan de jongen die me giechels gaf.

Ik wou dat je hier was.

Advertenties

3 gedachtes over “(On)gewenst

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s