Witte wolkjes en goddelijke kontjes

Telkens ik in een trein zit, probeer ik me, al turend door het raam, te focussen op één punt. Liefst op ’t moment dat de zon al bijna kan proeven van de bomen die fier rechtop staan in de landschappen die mijn trein dan doorkruist. Dan klamp ik me vast aan een wit wolkje en probeer ik de staarwedstrijd, die ik gedoemd ben te verliezen, alsnog te winnen. Het lukt me altijd enkele seconden, maar dan wordt mijn blik gezogen naar een voorbij zoevend huis of een grazende koe. Elke keer opnieuw forceer ik mijn ogen om wederom dat witte wolkje te vergasten op oogcontact, maar elke keer opnieuw wint de grazende koe, wint het voorbij zoevende huis, winnen de bomen.

Ook nu, op het moment dat ik me hopeloos probeer te fixeren op de uitgestalde Samsung Galaxy S5, geven mijn ogen liever de aandacht aan een kontje dat ik herken uit duizend kontjes. Een kontje dat hier helemaal niet hoort te zijn, in dezelfde elektronicawinkel als ik, een elektronicawinkel die ik ook alleen maar binnenstapte om te vluchten van de regen. Een kontje dat ik meermaals fijn knijpte terwijl de eigenaar ervan z’n ballen tegen mijn billen deed ketsen en me vulde tot ’t gewoon niet dieper kon. Had ik maar karakter. Kon ik maar tegen wat nat gemiezer. Nu sta ik hier, oog en oog, met het goddelijke achterste van Tom.

Hij is alleen. Staat de koptelefoons te bestuderen. Vreemd. Ik heb Tom nog nooit interesse weten hebben in koptelefoons. Laat staan muziek. Verder dan de radio ging ’t eigenlijk niet – iets wat ik niet snapte, laat staan snap. Hij ziet er goed uit. Nu ja, Tom ziet er altijd goed uit. Zelfs als hij volledig verward naar koptelefoons staart en uiteindelijk de hulp van een verkoper inschakelt om de ideale koptelefoon te vinden. Aandoenlijk is eigenlijk het juiste woord. Hij ziet er vreselijk aandoenlijk uit, en ik ga zo op in zijn aandoenlijkheid dat ik te laat besef dat er ook koptelefoons in promo naast de smartphonestand staan en dat de vinger van de verkoper nu priemend mijn richting uitwijst.

“Luna?”

Ik glimlach krampachtig terwijl hij de verkoper vriendelijk bedankt voor zijn hulp. Alsof ’t nog niet erg genoeg was dat ik ‘m hier tegenkom, ben ik ook nog eens de oorzaak dat-ie nooit de perfecte koptelefoon zal vinden. “Hey, jij”, zeg ik, beseffend dat het Nederlandse equivalent van “hey, you” nog niet half zo leuk klinkt.

“Wat doe jij hier?”, zegt hij, op een toon van nonchalance – zijn handelsmerk – en al wat ik wil is ’t hemd van zijn lijf scheuren en mijn lippen tegen z’n borst plakken. “Ik vlucht voor de regen”, zeg ik, terwijl ik mijn schouders ophaal. “En jij?” Hij neemt een knaloranje koptelefoon, trekt ‘m een beetje open en plaatst hem op zijn hoofd. “Op zoek naar iets als dit”, zegt hij, en hij wijst naar zijn bedekte oren, alsof ik de link anders nooit zelf had gelegd. “Wat moet je daar nu mee”, zeg ik, en mijn vingers jeuken om zijn gezicht te strelen. “Voor zover ik weet, vind je muziek net zo leuk als ik regen vind.”

Hij haalt ’t lelijke, oranje ding van zijn hoofd en legt ‘t weer op zijn plaats. “Hij is niet voor mij”, zegt hij, en hij ontwijkt mijn ogen. “’t Is… Ik denk eraan om… Ik had ’t idee om…” Hij frunnikt aan de mouwen van zijn pull en blijft struikelen over elk nieuw woord dat hij probeert uit te spreken. “Ik weet ’t nog niet zeker, maar misschien is ’t een leuk, ja, goed, ik weet niet-“

“Tom.” Ik zeg het zacht, misschien zelfs geruststellend, hoewel Toms gestuntel me erg nerveus maakt. “Zeg het maar.”

“Voor haar”, zegt hij uiteindelijk, en hij waagt een poging om me recht aan te kijken. “’t Is een cadeautje voor haar.”

Ik slik. Uiteraard was dat ’t eerste waar ik aan dacht toen ik ‘m zag. Hoe ’t nu zat met zijn meisje. Er gaan wel meerdere dagen voorbij waarop ik er niet aan denk, dagen die zich vullen met lege gedachten en een goedkope fles prosecco, maar ik denk nog vaak terug aan ’t moment dat ik voor ’t laatst een vertrouwde mengeling van z’n aftershave en z’n lichaamsgeur mocht opsnuiven. ’t Moment dat ik me eerst begroef in zijn armen en dan voor altijd los liet. Ik denk er niet aan terug met pijn, noch met teleurstelling; eigenlijk is ’t gewoon een herinnering die soms een wandeling door mijn hersenspinsels maakt zonder daarbij herfstblaadjes te doen opwaaien. Al bleef er één groen blaadje aan de verder volledig uitgedwarrelde boom hangen: de vraag naar haar, wie ze was, waarom ze er was, en of ze er nog lang ging zijn. Een frisse, levendige vraag, die nu beantwoord de dood vond en zich snel bij zijn groengeelrode familie zou voegen, om het voetpad van mijn gedachten nog wat meer van een herfsttapijt te voorzien.

“O, wel, fijn voor je.” De woorden tuimelen goedbedoeld uit mijn mond, maar klinken sarcastisch eens ik ze uitgesproken hoor, wat er toe leidt dat ik nog snel “en dat meen ik echt” eraan toevoeg. Ik besluit mijn oprechtheid kracht bij te zetten door zachtjes mijn hand op zijn hand, dat beschermend gekruist over zijn andere arm lag, te drukken. De aanraking voelt, niet verrassend in een elektronicazaak, elektrisch. Tom lost zijn defensieve houding en mijn hand valt in ’t niets wanneer hij ’t zijne in zijn zak laat verdwijnen. Hij kijkt naar me, in een poging me te doorgronden, maar hij weet ’t evengoed als ik – in mijn ogen zie je niets wat ik niet wil dat je ziet.

“Goed, dan ga ik maar”, zeg ik, en ik glimlach zuinig naar zijn ogen. Ik draai me om en zet één stap, maar bevries op ’t moment dat iets de vrije ruimte rond mijn rechterhand vult. Ik draai mijn hoofd en zie Tom, en wanneer ik met mijn blik van zijn schouders naar zijn hand ga, kom ik uit bij mijn vingers. Zijn duim wrijft zachtjes over mijn duim en even weet ik niet goed waar ik ’t heb. Geen afleiding deze keer. Geen grazende koeien of zoevende huizen. Tom is ’t witte wolkje, althans, zijn ogen zijn twee blauwe wolkjes, en ik heb er allesbehalve moeite mee om me erdoor te laten leiden. Hij duwt zijn duimnagel zachtjes in mijn vel en glijdt er zalig snijdend mee door mijn vel. Ik verroer niet. Kan niet verroeren. Kan alleen maar denken aan zijn scherpe aanraking en hoe ik zijn mond beroeren wil.

Hij lost. Zowel zijn blik, als zijn hand. Een kleine seconde ben ik verward. Is hij verward. Staan we niet in een elektronicawinkel waarin net voor de vijfde keer werd afgeroepen dat de koptelefoons nog tot morgen in promotie zijn. En dan is het voorbij. Hij neemt nogmaals de oranje koptelefoon vast. “Ik wou gewoon weten wat je van deze vond.” ’t Ding is knaloranje aan de oren en oranje-zwart gestreept in de verbinding naar de twee kanten. Het is de lelijkste koptelefoon van alle koptelefoons in promotie, al is geen enkele om over naar huis te schrijven. Maar Tom leek ’t niet te deren. Instinctief wist ik dat hij mijn hand niet vastnam om mijn mening over een of andere koptelefoon te vragen. Hij was sowieso voor de oranje koptelefoon gegaan. Dit was een formaliteit. Een afronding. Een afkoeling. Een manoeuvre om te vergeten.

“Prachtig”, zeg ik. “Ze zal er helemaal weg van zijn.” Ik draai me opnieuw om, zonder gehinderd te worden deze keer, en wandel door de warmtedeur terug naar de straat. ‘t Blinken van de kasseien is ’t enige wat nog deed vermoeden dat ’t nog niet zo lang geleden geregend had. Net zoals de tintelingen in mijn rechterhand ’t enige is wat nog deed vermoeden dat ik zonet een koptelefoon had helpen uitkiezen voor Toms nieuwe vriendin.

Genomineerd! Stemmen op Lunalovesgood (categorie ‘personal’) mag altijd. Hoeft absoluut niet. Maar mag altijd. #weekendblogawards
Nu terug te vinden op Facebook, maar ook nog steeds op Twitter.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s