Contradictio in terminis

1u17. Ik leg mijn iPhone weg en trek de dons dichter. 1u17. Ondertussen twee uur en zeventien minuten geleden dat ik bij hem op de stoep stond. Tom. Die stomverbaasd was. Maar met een enorme gretigheid in zijn stem ‘ja’ antwoordde op mijn vraag of ik de nacht mocht blijven. 1u17. Tijd hebben we niet echt verspild. Waarom zouden we ook. Hij wist waarom ik er was (seks!) , ik wist waarom ik er was (Dries vergeten!) (En dus seks!). Alles paste, zoals het altijd past. Eerste ronde snel, gehaast, passioneel, hard; tweede ronde rustig, dichter, liever, zachter, langer. Allemaal fake, natuurlijk. Tom geeft me eindeloos kusjes op mijn schouder en zijn aanrakingen geven mij het gevoel alsof ik de mooiste vrouw ter wereld ben, maar ik weet heel goed wat ’t is. Een halfuur geleden draaide hij de douchekraan open en spoelde hij alle genegenheid voor mij nog maar ‘ns weg. Zijn vingers raakten die van mij niet eens meer aan toen hij de zeep aan me gaf. Nu ligt hij gelukzalig te ronken, met één arm luchtig uit bed hangend (iets wat ik dus totaal niet durf, niet met armen noch met benen, want er moet maar iets onder je bed zitten dat je hand of enkel vastgrijpt), en ik vraag me af of hij droomt. Ik vraag me af of hij ooit nachtmerries heeft. Tom is ’t soort persoon dat maar van één ding kan wakker liggen: muggen. Niet zijn toekomst, zijn problemen, zijn gedachten, zijn grootste verlangens verstoren zijn nachtrust – enkel sadistische insecten die zich volzuigen met zijn vrolijke, zorgeloze bloed.

Toms ademhaling is bijna onbestaande, terwijl het plafond al een halfuur op mij lijkt af te komen – hoe langer ik er naar staar, hoe dichter het komt. Ik probeer de slaap wel te vatten, maar ’t is net alsof een lampje om de twee seconden pinkt in mijn hoofd; een lampje dat me verplicht wakker te blijven tot ik een manier gevonden heb om ’t uit te krijgen. De oranje gloed is alarmerend en doet mijn ogen met intervallen opflikkeren. Ik staar nu recht naar het slaapstandlichtje van Toms laptop en vloek binnensmonds. Zolang dat ding staat te pinken, kan ik niet slapen. Ik licht mezelf uit bed, maar uiteraard is het voor mij onmogelijk om compleet geluidloos een kledingstuk op de computer te leggen. Nu was ’t het bed dat kraakte, maar ik had sowieso uiteindelijk nog andere manieren gevonden om Tom te doen woelen en kreunen. Tegen zijn geluidsinstallatie lopen en toevallig met mijn grote teen op ‘play’ duwen, bijvoorbeeld. Een kledingstuk uitkiezen dat volledig bestaat uit rinkelende belletjes, onder andere. Of anders gewoon het struikelen over mijn eigen benen. De opties zijn eindeloos.

“Wat doe je nu?”

Ik pak mijn truitje, dat over zijn bureaustoel hing, en leg het over de laptop en het lampje heen. “Kon niet slapen door je laptop”, zeg ik, en ik besef zelf maar al te goed hoe flauw dat klinkt. Ik kruip terug onder de lakens, vind het plekje dat ik eerder al had opgewarmd en draai me iets dichter naar Tom toe. Hij streelt mijn arm en legt zijn been over ’t mijne. “Ik weet niet of ik dit nog lang kan doen”, zegt hij, en als ik oren had die konden spitsen, dan was dat nu gebeurd. Ik pers er een kleine “hm?” uit nadat hij niet uit zichzelf verder praat. “Heb een meisje leren kennen, onlangs. Is nog helemaal niets, hoor, maar vind ze wel iets hebben. Ze intrigeert mij, en, ik weet niet, ik ga ze eens mee uit vragen.” Hij blijft over mijn arm strelen en ik voel zijn uitgeblazen adem op mijn gezicht. “Achzo”, zeg ik, want ik weet niet wat anders zeggen. Ik weet niet wat anders doen. Na een stilte, die naar mijn gevoel iets te onbehaaglijk was, draait hij zich weg en verdwijnt hij weer in een droom, in een nachtmerrie, in het niets, god weet ‘t. Hij denkt vast aan haar. Misschien dacht hij de hele avond al aan haar. Misschien was ik gewoon een lijf waarvan hij de puzzelstukjes iets anders rangschikte om me te doen lijken op haar. Misschien oefende hij met mij wat hij wou proberen met haar. Misschien wou hij dat ik was, zij. Misschien wou ik dat ik haar was. Dat zij was, mij.

Ik fixeer mijn ogen strak op de laptop en probeer te negeren waarin ik ben gefaald. Doorheen de fijne stof pinkt nog steeds een oranje streepje, eens wel, eens niet. Ik had mijn best gedaan om het probleem te verstoppen. Niet op te lossen, want ’t lichtje was er nog altijd. Eigenlijk ben ik een beetje zoals ’t oranje lichtje. Mijn leven is periodiek lumineus. Alarmerend lumineus. Vlak voor ik zelf in slaapstand wegzak, besef ik maar al te goed dat ik elke muizenis, elke oranje lichtgevende muizenis, ook altijd bedek met een lap stof. Of met een lijf. Een warm lijf dat ik om al mijn problemen heen leg.

Hoe noem je dat? Problemen proberen oplossen met hetgeen wat de problemen veroorzaakt?

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s