Dingen die ik haat

Er zijn veel dingen die ik haat, erg veel, zelfs; soms denk ik dat mijn ratio haat-liefde iets te veel overhelt naar de haatzijde. Ik haat het als die ene streep zonlicht om half zeven ’s morgens recht op mijn gezicht valt – al heb ik dat ook wel aan mezelf te danken, want ik slaap ’t liefst met de gordijnen open. Ik haat de, hoewel belachelijk gemotiveerde, toch vreselijk irritante medewerkers van WWF die mij elke dag vijf keer tegenhouden op de bekende brede boulevard van Antwerpen. Ik haat het gevoel van vermoeidheid dat een hele dag in m’n lijf hangt als ik mijn wekker minstens twee keer heb genegeerd. Wat ik haat is het nieuwe woord dat Facebook doet verschijnen eens je iets hebt geliket – niet meer “vind ik niet meer leuk”, maar “ontleuken”, en, vergeef me, maar ik lees altijd “ontneuken”. En wie wil nu “ontneukt” worden? Goed, er zijn veel dingen die ik haat.

Eén van de dingen die ik echter het meest haat, zijn vrienden die na een reis van minimum drie weken door de brousse op één of ander continent dat een vliegreis van minimum 12 uur vereist zich geroepen voelen om me álle genomen foto’s te tonen op hun iPad, vergezeld van ‘hilarische’ anekdotes en ‘nostalgische’ herinneringen. Hanne was amper enkele dagen terug thuis van een ‘avontuur’ door Brazilië en had daar welgeteld 1400 foto’s van. Veertienhonderd foto’s. Of ik ze allemaal wou bekijken. Uiteraard maakte het niet uit of ik ‘ja, natuurlijk!’ of ‘ik ga nog liever bridgen met anaconda’s‘ zei, want voor haar zin opging in de loungemuziek die door de keuken knalde was ze al aan het ‘swipen’ doorheen de eerste lading landschappen en zeezichten. Ze verhaalde honderduit over de streken die ze daar had uitgehaald, maar ik zag alleen maar de foto’s passeren, van links, naar rechts. Ik zag bomen, stranden, één of ander grappig naambordje van een restaurant, één of andere diepzinnige boodschap die een café met krijt op zijn deur had geschreven, je weet wel, iets à la “No, we don’t have Wi-Fi. Talk to each other!”. Ik knikte en lachte op de gepaste momenten, maar ik zag alleen maar het ene beeld naar het andere springen. En op de duur zag ik niet meer de familiekiekjes, de grappige papegaai die net op het moment van de foto naar een koekje greep (“dat moet nu toch echt lukken hé, zeg!”), de met de voeten in het zand geschreven naam van mijn beste vriendin. Op de duur veranderden de exotische foto’s naar recente herinneringen, mijn eigen herinneringen, beelden van de voorbije maand, beelden van Dries en ik. Herinneringen die aan een enorme snelheid van links naar rechts werden geschoven, van ’t heden naar het verleden.

“Vanavond komt-ie naar hier, voor ’t eerst”, zeg ik, terwijl Olivia afwezig naar me knikt als om te zeggen ‘ik hoor je wel’, terwijl ze verwoede pogingen blijft ondernemen om opgemerkt te worden door de ober, twee tafels verder. Ze zwaait met haar hand en krijgt, eindelijk, na lang proberen, een hoofdknikje terug, wat haar een geruststellende zucht ontlokt. “De wijn is nu niet ver weg meer”, zegt ze, en ze zakt wat verder achteruit. Nadat ze voor ons allebei nog twee glaasjes huiswijn heeft besteld, richt ze zich eindelijk tot mij. “Wie, Dries? Wat fijn. Wat ga je doen?” Het is de derde date; één bij hem thuis, één in een gezellig Spaans restaurantje op ’t Zuid, en dan nu, eindelijk, bij mij thuis. Olivia weet het niet, maar ik heb reeds allerlei zaken gepland die avond. Ik heb een string, een kort t-shirtje (crop top, in de hedendaagse modetaal) en een fles bodylotion verstopt naast ‘t toilet, en vooraleer we onze weg zouden vinden naar de slaapkamer, zou ik toevallig nog even een kleinkamertjesbezoek moeten brengen (of Dries dus verrassen terwijl hij denkt dat ik gewoon een kleine blaas heb). De gedachte deed me glimlachen op ’t terras van onze favoriete lunchplek, maar Olivia was te druk bezig met het vereren van haar glas godendrank om mijn binnenpretje op te merken. Ook toen ik later die dag de deur opendeed om Dries te verwelkomen, zat die glimlach nog steeds om mijn lippen. Tot hij zich in mijn zetel nestelde, loom een arm om mijn schouders legde en toen vroeg of ik geen after sun, of, misschien, body lotion had om zijn verbrande rug mee in te wrijven. Nou. Fijn. “Natuurlijk”, zeg ik, en ik sluip ’t toilet binnen om snel de fles die ik daar verstopt had te halen. Goed, ja, dit is jammer, maar we hebben op zijn minst de string nog. We hebben de string nog, Luna. Alles kan nog gered worden met de string. Na drie uur lui bankhangen en enkele oude afleveringen van Suits rekt Dries zich zodanig traag en lang uit dat ’t duidelijk is dat hij zich wil verplaatsen naar de slaapkamer. Game time. “Ik, eh, ga nog even een plasje doen”, zeg ik, en ik sla me bijna voor de kop – een plásje doen? Echt? Ik ontdoe me van mijn kleren en wurm me in de kleine string, hopend dat ik die niet langer dan een kleine drie minuten zou hoeven te dragen. Onderweg naar de slaapkamer schrik ik mijn reeds stijve tepels op door er nog snel een lap stof over te trekken – en dan hoor ik Dries mompelen. “Wat?”, zeg ik, terwijl ik als bevroren in de hal blijf staan. “Die fles water. Breng je die mee?” Een fles water. Hoe in godsnaam maak ik een sexy entree met een fles water? “Hey schat, hier is je Evian, doe me nu maar”? “Eh, ja, ik kom eraan”, zeg ik, en ga tegen m’n zin de waterfles halen. Onderweg naar de slaapkamer neurie ik een nietszeggend deuntje zodat Dries weet dat ik eraan kom. Ik laat mijn laatste toon uitdoven op het moment dat ik mijn lijf gracieus laat vallen tegen de muur van de deuropening. In mijn hoofd moet dat er sexy uitzien, maar nonchalant een fles laten zwalpen van links naar rechts zou wel eens een seksafleider kunnen zijn. Dries kijkt en weet uiteindelijk niets beters te zeggen dan “Euh, is dat je pyjama?”

Inderdaad, Dries. Ik slaap nooit zo comfortabel als met een fijn stuk stof dat schuurt tussen mijn billen.

Ik zet de fles neer op de grond en kruip mee onder de lakens. Ik doe m’n allerbeste best om mijn blote billen nog te verstoppen, want Dries had me nog nooit in string gezien. Een cadeautje, dacht ik. Derde date, ’t mag al eens wat meer zijn. Hij trekt me dichter bij zich en zijn handen dwalen af naar mijn billen, waar hij geen stof, maar echt huid voelt. “Mmm”, zegt hij, terwijl hij zijn mond tegen mijn oor drukt, en hij heft mijn been over ‘t zijne. Zijn aanraking tintelt als hij van kuit naar dij streelt met zijn vingers en ik duw mijn bekken meteen waar het moet zijn, daar waar het ondertussen rotshard is. Geen voorspel voor mij vandaag. Doe gewoon die string uit en draai me op mijn knieën Of zo. Ik zeg het niet luidop, maar hoop dat de ongeduldigheid in mijn ogen te lezen staat. Dries is echter niet het type voor een ruige directe vrijpartij. Hij draait me zachtjes op mijn rug en kust elk plekje van mijn lichaam, terwijl hij langzaam naar beneden gaat, zowel met z’n handen als met zijn malse mond, en mijn ieniemienie stringetje met zijn tanden van mijn heupen trekt. Ik wist wat-ie wou doen, en ik wist dat ik daar nu gewoon het geduld niet voor had; ’t enige waar ik nu naar snakte was een mooi huwelijk tussen mijn open benen en zijn kleine bruidegom, en já, je mag de bruid kussen, stoten, nemen, alsjeblieft, hoe je het ook wil noemen, maar in godsnaam, doe ‘t. Eén hand op zijn borst, één handige beweging, een kussen onder z’n mooie hoofd en klaar. “Je bent precies wat ongeduldig vandaag”, zegt hij, en ik vecht tegen een sarcastische opmerking en plaats zijn beide handen op mijn borsten. “Problemen mee?”, zeg ik, met opgetrokken wenkbrauwen, en hij antwoordt door rechter te gaan zitten en zijn gezicht in mijn boezem te begraven. ’t Is een van de mooiste bruiloftse ceremonies die ik in lange tijd heb meegemaakt, compleet met kleine bijtjes, onhandige lachjes, een heerlijk ritme dat de trage openingswals ver achter ons laat en lipcontact, eindeloos veel lipcontact, lipcontact tot ’t einde, tot ’t intomen van ’t vuurwerk op de taart, tot ’t inkrimpen van de feestballonnen, tot ’t vervagen van ‘t maanlicht, tot ’t verlies in een gezamenlijke slaap.

“… En hier ontmoette ik echt een sensuele Braziliaan, Loen, echt. Zo vreselijk jammer dat ’t de laatste dag was, hij kon vreselijk goed surfen, en ik had er wel wat lesjes van willen stelen. Dus, ja. Mijn reis. Fijn toch, hé? Volgende keer moet je écht mee gaan.” Ze klapt het hoesje van haar iPad dicht, neemt haar champagneglas en wandelt naar de woonkamer. Ik volg gedwee, in mijn hoofd excuses verzinnend om zo snel mogelijk in mijn auto te kunnen springen en weg te kunnen rijden van het gevoel dat ik nu heb. Ik draai de cola in mijn glas in ‘t rond, altijd net tot op het moment dat de prik eruit zou spatten en de parket zou raken. “Ik denk dat ik maar eens ga”, zeg ik. “Je weet dat ik nog een en ander te doen heb morgen en een goede nachtrust kan nooit kwaad.” Goed wetende dat ik absoluut geen waarde hecht aan een goede nachtrust, kijkt Hanne met dichtgeknepen ogen naar me. Opvallend groen zijn ze, volledig in contrast met haar donkerbruine haar, al zegt ze al jaren dat ze ooit de stap zet en het in een koperkleurige tint verandert, want dan komen haar kijkers pas echt goed uit. “Er is nog pastasalade over. Wil je wat mee naar huis?” Ik schud mijn hoofd en duw mijn voeten in mijn schoenen. Na de bandjes rond mijn enkels te hebben dichtgebonden, neem ik mijn tas en geef ik Hanne een kus, een kus die dus eigenlijk in de lucht zweeft, een wang-tot-wang ontmoeting die niets met lippen of monden te maken heeft. “Bedankt voor ’t lekkere eten. En je foto’s waren echt prachtig.” Liegen gaat me gemakkelijk af, en Hanne slikt het, Hanne slikt mijn gelogen opmerking in één keer weg en blijft enthousiast naar me zwaaien tot ik haar straat ben uitgereden. Dingen die ik haat. Het aantal keren per dag dat ik naar ’t toilet moet als ik minimum twee liter water drink. De lokale kerktoren die in het weekend minstens één keer een ten schande makende versie van John Lennons Imagine met de klokken speelt. Brokjes fruit in mijn yoghurt.

Dingen die ik haat. Hoe ongelooflijk gemakkelijk het me valt om aan iedereen die me iets of wat kan schelen, aan Hanne, Dries, vooral Dries, maar ook Hanne – maar aan ook mijzelf, leugens te vertellen. Hoe ik me niet in mijn eigen straat parkeer, maar de miezerregen mijn haar laat kroezen terwijl ik naar een appartementsgebouw, een appartementsgebouw dat niet het mijne is, wandel. Hoe hij verbaasd de deur opendoet. “Luna? Wat doe jij hier nu?”

Dingen die ik haat. Hoe ik Toms appartement binnenwandel, mijn jas aan zijn kapstok hang en me vlak voor zijn neus ga stellen, met een klein scheef lachje, en mijn blik speels op zijn ogen gericht.

“Hey. Mag ik hier blijven vannacht?”

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s