Droefenis in alcohol verdrinken, men probere ’t niet, want is er één gediplomeerd zwemmer, ’t zal wezen ’t verdriet

Vandaag hield iemand me tegen op straat om me te vragen waar hij de cinema kon vinden. De man in kwestie koos werkelijk een uiterst ongelukkig moment uit om mijn hulp te vragen. Ik struinde door de Antwerpse straten met een hysterische kater die zich had losgetrokken van mijn leiband en liet me volledig leiden door Massive Attack (Unfinished Sympathy moet het mooiste nummer zijn dat ooit gemaakt is) op het moment dat hij plots voor mij kwam staan en zijn lippen bewoog. Het koste me op zijn minst twee seconden om te beseffen dat ik één, moest participeren in sociaal contact, en twéé, met een barstend hoofd de weg naar de UGC moest uitleggen. Daar kwam ik namelijk achter toen ik aan hem bekende dat liplezen niet mijn forte was en of hij het misschien nog eens wou herhalen. Hij stelde me de vraag nog eens, en de gedachte besloop me dat hij voor zo’n Antwerps accent te hebben op zich wel diende te weten waar hij de bioscoop kon vinden.

“Dus, je gaat hier naar rechts, en dan ga je gewoon rechtdoor, en dan kom je op een plaats, die ze de Roosevelt noemen, en dan, dus als dit de Roosevelt is, hé, mijn vuist, en dan moet je dus hier zijn, waar mijn wijsvi”

“Ik begrijp er echt absoluut niets van”, zegt hij, en je moet zijn eerlijkheid op zich wel appreciëren. “Ik vraag het aan het einde van de straat rechts wel nog eens aan iemand.” Hij laat een klein lachje horen en zegt nog snel, voor hij de cinema gaat zoeken, “dat is echt een mooie jas.”

Goed. Ik had uiteraard liever een compliment over mijn ogen, mijn haar, mijn lach of mijn lijf gehad, maar aangezien de ruimte onder elk oog praktisch een goed gevuld zandzakje kon zijn en mijn haar ongetwijfeld nog een aroma van Stella verspreidde, kon ik het hem moeilijk kwalijk nemen. Een compliment blijft ook een compliment, of het nu over mijn zachte leren jas gaat of over mijn door de zon geliefkoosde en op die manier stiekem blond geworden bruine haar.

Zijn onhandige manier van complimenteren deed me denken aan Tom. Tom is een van mijn lievelingetjes. Hij is een reus – ik moet echt op mijn tippen staan om ter hoogte van zijn lippen te geraken – en niet onknap om naar te staren als hij zijn kopje schuin laat hangen terwijl hij over één van zijn vele werkavonturen vertelt. Hij weet exact waar hij zijn vingers moet plaatsen om mij te doen kirren als een klein kind (wel heel erg fout om die vergelijking in deze context te gebruiken, maar kijk, ik doe het toch maar) en heeft de goede gewoonte om heel erg veel mijn naam te zeggen elke keer als hij zijn erectie door mijn borsten laat glijden – iets wat-ie heel graag doet, en waar mijn tweeling zich graag voor laat lenen. Hij wordt helemaal gek als ik eindeloos door zijn dikke bos haar krab en hij weet exact in welke standjes hij zich het diepst in mij kan graven. Tom en ik, dat zit wel goed.

Ooit vroeg ik Tom om een complimentje. “Ik geef jou er zó veel, en ik krijg er nooit een terug”, mopperde ik, want ik wou nou eerlijk gezegd wel eens weten wat Tom van me vond. “Je bent fantastisch in bed”, zei hij, wat me natuurlijk niets deed, want elk meisje dat al maar een beetje actief meedoet onder (of op) de lakens wordt geclassificeerd als “fantastisch in bed”. “Probeer het nog eens”, spoorde ik hem aan, want ik had honger naar een complimentje, en dit was maar een heel pover voorgerecht dat mijn honger niet stilde. “Oké”, zei hij, en hij rechtte zich een beetje, alsof het echt menens was deze keer.

“Soms ben je wel grappig. En je bent echt heel goed in Nederlands.”

Tom en complimentjes, ’t is geen goede combinatie. Maar de momenten waarop hij mij dichter trekt en zijn kin op mijn schouder laat steunen, maken al zijn pseudobewondering goed. We hadden er een afspraak over gemaakt: na een partijtje rollebollen beslisten we samen hoeveel minuten ik had verzameld met pijpen, en die kreeg ik dan in de vorm van knuffels terug. Het is een schoolvoorbeeld van mutualisme: hoe meer hij geniet van mijn tongkunstjes, hoe meer ik geniet van zijn warme lichaam tegen dat van mij.

Op momenten als dit mis ik Tom. Ik zie de verdwaalde jongen de hoek omslaan en verdwijnen en bedenk me dat het evengoed Tom had kunnen zijn die nonchalant de ene voet voor de andere zet en met alle gemak van de wereld zijn leven laat lopen zoals hij wil dat het loopt. Het had evengoed Tom kunnen zijn die uit mijn zicht verdween en zijn tocht hervatte, met als eindbestemming ‘de cinema’.

Het had zelfs Dries kunnen zijn die de hoek omsloeg en verdween. Het is pas op het moment dat de verdwaalde jongen de filmzaal vast al gevonden heeft en een gehaaste vrouw haar schouder rakelings langs de mijne schuurt als gevolg van een iets te kort ingeschatte bocht dat ik besef dat het Dries was, die me gisteravond, vlak voor ik me thuis met een fles tequila en een halve citroen naar de verdoemenis zoop en niet goed snapte waarom ik de nood had om te vluchten in alcohol en mijn verdriet te verdrinken, hoewel iedereen weet dat droefenis erg goed kan zwemmen – het is pas op dat moment dat ik besef dat het Dries was die me gisteravond een afstandelijke knuffel gaf, een kuise kus op mijn wang, een laatste (lege) blik en een pijnlijke scheut doorheen mijn borst alvorens de hoek om te slaan en te verdwijnen in een leven waar ik zonet alle bestaansrecht in had verloren.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s